1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan een eenmaal verleende vergunning voor het exploiteren van droge horeca worden ingetrokken, indien niet langer voldaan wordt aan één of meer van de in de artikelen 2.28 lid c gestelde eisen of het bepaalde in artikel 2.28 lid d niet in acht wordt genomen.

  2. Een vergunning kan eveneens worden ingetrokken, indien voor de exploitatie tevens een vergunning op grond van de Alcoholwet is vereist en deze wordt ingetrokken omdat niet langer voldaan wordt aan de eisen zoals opgenomen in artikel 8 van de Alcoholwet respectievelijk het Alcoholbesluit.

  3. De burgemeester kan de vergunning ook intrekken, indien:

    1. Aannemelijk is dat de leidinggevende betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten als bedoeld in artikel 13b Opiumwet of bij activiteiten als bedoeld in artikel 2.80 lid 1 van deze verordening

    2. Dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de openbare orde, de aantasting van het woon-en leefklimaat of in het belang van de gezondheid van de bezoekers.

    3. Indien de vergunning ingetrokken is in het belang van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat of in het belang van de gezondheid van de bezoekers, kan de burgemeester bepalen, dat een nieuwe vergunning voor dezelfde inrichting gedurende een bij de intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar kan worden geweigerd.