Algemene Plaatselijke Verordening Maasdriel 2024 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
HOOFDSTUK ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK OPENBARE ORDE
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Betoging
Afdeling Verspreiden van gedrukte stukken
Afdeling Vertoningen e.d. op de weg
Afdeling Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Afdeling Veiligheid op de weg
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Bijzondere bepalingen over paracommerciële horeca-inrichtingen als bedoeld in de Alcoholwet
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden, cameratoezicht op openbare plaatsen en gebiedsontzegging
Afdeling Huisvestingsvoorzieningen
HOOFDSTUK SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.
HOOFDSTUK BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE
HOOFDSTUK ANDERE VOORWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE
HOOFDSTUK STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK

BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE

Artikel 4:1

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  2. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  3. gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  4. gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  5. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  6. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  7. inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  8. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4:2

Aanwijzing collectieve festiviteiten

  1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt voor een of meer woonkernen of wijken van de gemeente.

  4. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  5. Het equivalente geluidsniveau (Leq) veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 10 dB(A) / 23 dB(C), boven de geluidswaarden van de dagperiode als aangegeven in tabel 4:5.

  6. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek. Toeslagen voor de aard van het geluid en een bedrijfsduurcorrectie blijven achterwege.

  7. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek -hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening- uiterlijk om 01.00 uur te worden beëindigd.

Artikel 4:3

Kennisgeving incidentele festiviteiten

  1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 2 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste 10 werkdagen voor aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 2 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving.

  4. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats die op dat formulier vermeld staat.

  5. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

  6. De geluidniveaus, veroorzaakt door de inrichting, mogen niet meer dan 10 dB(A) of 23 dB(C), hoger zijn dan aangegeven in tabel 4:5.

  7. De geluidswaarde als bedoeld in het vijfde lid is inclusief onversterkte muziek. Toeslagen voor de aard van het geluid en een bedrijfsduurcorrectie blijven achterwege.

  8. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening - uiterlijk om 01.00 uur te worden beëindigd.

  9. De geluidsnorm als bedoeld in het zesde lid geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

  10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid dienen ramen en deuren gesloten te blijven, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 4:3a

Melding extra incidentele festiviteiten

  1. Incidentele festiviteiten boven het maximum als genoemd in artikel 4:3 eerste en tweede lid zijn mogelijk tot maximaal 12 festiviteiten per jaar na schriftelijke acceptatie van een melding door het college.

  2. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding.

  3. De melding moet minimaal tien werkdagen voor aanvang van de geplande festiviteit zijn ingediend.

  4. De voorwaarden als genoemd in artikel 4:3, zesde tot en met tiende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4:5

Onversterkte muziek

  1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Besluit, binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:

    1. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

    2. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;

    3. de waarden waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder, zoals die wet en dat besluit luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

    4. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.

  2. Voor de duur van drie uur per dag en maximaal vier dagen in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.

  3. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is dit artikel niet van toepassing.

  4. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 4:2 en artikel 4:3.

Artikel 4:6

Overige geluidhinder

  1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  3. Het verbod is niet van toepassing als privaatrechtelijk al voorschriften ten aanzien van het voorkomen van geluidhinder worden overeengekomen.

  4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

  5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:6a

Het in werking hebben of het gebruiken van knalapparaten ter verjaging van schadelijk gevogelte

  1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit knalapparaten ter verjaging van schadelijk gevogelte in werking te hebben dan wel te gebruiken.

  2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:

    1. de eigenaar van het perceel waarop het apparaat wordt gebruikt daarvan minstens 4 weken voor het knalseizoen melding heeft gedaan;

    2. het knalapparaat in werking is, dan wel gebruikt wordt tussen 07.00 uur en 21.00 uur en;

    3. de afstand tot een woning van derde meer bedraagt dan 250 meter en;

    4. het bronvermogen op 20 meter afstand niet meer bedraagt dan 120 dB(A) en;

    5. binnen een afstand van 150 meter geen ander knalapparaat in werking is of gebruikt wordt en;

    6. de afstand tot de openbare weg meer bedraagt dan 50 meter of de verkeersdeelnemers op een deugdelijke wijze worden gewaarschuwd voor het inwerking zijnde apparaat en;

    7. het aantal knallen in relatie tot de afstand tot geluidgevoelige objecten niet meer bedraagt dan 1 knal per 10 minuten;

    8. de loop van een knalapparaat van geluidgevoelige gebouwen en terreinen afgericht staat;

    9. cumulatie met knalapparaten op andere percelen niet leidt tot ontoelaatbare hinder;

    10. het knalapparaat elke dag 50 meter verplaatst wordt;

    11. een knalapparaat slechts gedurende een maximaal aaneengesloten periode van 4 weken op hetzelfde perceel staat opgesteld of in bedrijf is.

  3. Het tweede lid is niet van toepassing op situatie waarin wordt voorzien door of krachtens de provinciale omgevingsverordening (stiltegebied).

Artikel 4:6b

Het in werking hebben of het gebruiken van overige elektronische middelen ter verjaging van schadelijk gevogelte, anders dan bedoeld in artikel 4:6a

  1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit overige middelen ter verjaging van schadelijk gevogelte in werking te hebben dan wel te gebruiken.

  2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:

    1. de eigenaar van het perceel waarop het apparaat wordt gebruikt daarvan minstens 4 weken voor het knalseizoen melding heeft gedaan;

    2. de verjagingsmiddelen in werking zijn of gebruikt worden tussen 07.00 uur en 21.00 uur en;

    3. de afstand tot geluidgevoelige gebouwen en terreinen meer bedraagt dan 25 meter en;

    4. het verjagingsmiddel niet gericht is op geluidgevoelige gebouwen en terreinen.

Artikel 4:7

Straatvegen

Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.

Artikel 4:8

Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4:9

Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4:10

Verwijzing naar AVRI

  1. Het is anderen dan de inzameldienst Afvalverwijdering Rivierenland (AVRI) verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen voor zover dit in deze afdeling of door de Regio Rivierenland niet anders is bepaald.

  2. De AVRI heeft in haar Afvalstoffenverordening Regio Rivierenland regels vastgesteld om de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen ordentelijk te laten verlopen.

Artikel 4:11

Voorkomen van diffuse milieuverontreiniging

(vervallen)

Artikel 4:12

Achterlaten van andere afvalstoffen dan straatafval

Het is verboden om andere afvalstoffen dan straatafval achter te laten in daartoe van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken, manden of soortgelijke voorwerpen.

Artikel 4:13

Achterlaten van straatafval

Het is verboden om straatafval in de openbare ruimte achter te laten zonder gebruik te maken van de van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken, manden of soortgelijke voorwerpen.

Artikel 4:14

Zwerfafval bij vervoeren, laden en lossen of overige werkzaamheden

  1. Het is verboden afvalstoffen, andere stoffen of voorwerpen zodanig te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten dat de openbare weg wordt verontreinigd of het milieu nadelig kan worden beïnvloed.

  2. Als bij het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen dan wel bij de andere werkzaamheden bedoeld in het eerste lid van dit artikel, stoffen of voorwerpen de openbare weg wordt verontreinigd of het milieu nadelig wordt beïnvloed, is degene die genoemde werkzaamheden verricht alsmede diens opdrachtgever verplicht deze weg te reinigen of te laten reinigen:

    1. direct na het ontstaan van de verontreiniging, als de verontreiniging gevaar voor de veiligheid van het verkeer of beschadiging van het wegdek oplevert;

    2. direct na beëindiging van de werkzaamheden, als de verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid van het verkeer of beschadiging van het wegdek oplevert;

    3. als de werkzaamheden langer dan een dag duren, dagelijks direct na beëindiging van de werkzaamheden, maar uiterlijk om 20.00 uur.

Artikel 4:15

Wegwerpen van reclamebiljetten of ander promotiemateriaal

Degene die in de openbare ruimte reclamebiljetten of dergelijke of ander promotiemateriaal onder het publiek verspreidt, is verplicht deze en/of de verpakking daarvan terstond op te ruimen of te laten opruimen, als deze in de omgeving van de plaats van uitreiking op de weg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats door het publiek worden weggeworpen.

Artikel 4:16

Definities

  1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    1. boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter (gelijk aan 31,4 centimeter stamomtrek) op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam;

    2. houtwal: lange aaneengesloten stroken of percelen van struiken en bomen;

    3. een houtopstand: een houtwal of een of meer bomen;

    4. beoordelingssysteem: objectieve criteria voor de bepaling van de waarde van een boomelement zoals opgenomen in het kapbeleid waardevolle bomen;

    5. waardevollebomenlijst: bescherming van individuele bomen of boomgroepen die vanwege de boomsoort, groeivorm, standplaats al cultuurhistorische waarde belangrijk zijn voor de kwaliteit van de gemeente. Deze bomen hebben een score van 40 punten of hoger volgens het beoordelingssysteem van de waardevollebomenlijst.

    6. boomstructuurplan: boomstructuurplan gemeente Maasdriel augustus 2009;

    7. boomstructuur: gewenste boomstructuur (hoofd-, neven- en overige structuren) volgens het boomstructuurplan;

    8. rekenmodel boomwaarde: rekenmodel voor het bepalen van de monetaire waarde van bomen op basis van de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen (NVTB);

    9. boomeffect-analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen voor houtopstanden bij voorgenomen bouw-, aanleg-, of herinrichtingsprojecten, op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting;

    10. nader onderzoek: onderzoek op stabiliteit en breukvastheid van de boom;

    11. VTA-systematiek: methodiek voor het visueel beoordelen van de stabiliteit en breukvastheid van bomen op basis van de door Prof. Dr. Claus Mattheck ontwikkelde Visual Tree Assessment (VTA);

    12. onafhankelijk boomspecialist: de boomspecialist die het diploma European Tree Worker of European Tree Technician heeft behaald.

  2. In deze afdeling wordt onder vellen verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, het voor de eerste keer knotten of kandelaberen, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

  3. Onder vellen wordt niet verstaan het knotten of kandelaberen van wilgen en platanen.

Artikel 4:17

Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college een houtopstand te vellen of te doen vellen:

    1. die is opgenomen in de lijst van waardevolle bomen;

    2. die onderdeel uitmaakt van de boomstructuur volgens het boomstructuurplan;

    3. waarvoor bij een omgevingsplan, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit (voorbeschermingsregels) een vergunning vereist is als bedoeld in de artikelen 5.1 resp. 5.3 en 5.4 in samenhang met 4.4, tweede lid Omgevingswet.

  2. Voor bomen die voldoen aan minstens één van de in het eerste lid genoemde onderdelen wordt in beginsel geen omgevingsvergunning verleend, tenzij:

    1. er sprake is van grote gevaarzetting of vergelijkbaar spoedeisend belang van openbare orde of veiligheid beoordeeld door een onafhankelijk boomspecialist volgens de VTA-systematiek en eventueel nader onderzoek;

    2. de boom moet worden geveld op grond van de Plantenziektenwet;

    3. het gaat om het periodiek knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel voor de instandhouding van de boom, bij daarvoor geschikte bomen.

  3. Het college kan toestemming geven om bomen te vellen in die gevallen waar sprake is van zwaarwegende economische of maatschappelijke belangen.

  4. Het eerste lid is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen.

  5. Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen moet worden herplant. Tevens wordt daarbij bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  6. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 4:18

Herplant-/instandhoudingsplicht

  1. Als een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het college is geveld, dan wel op andere wijze is tenietgedaan, zal het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die op een andere manier tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, een geldelijke boete opleggen ter hoogte van de vervangingswaarde volgens rekenmodel boomwaarde. Daarnaast kan het college de verplichting opleggen te herbeplanten, overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen en binnen een door hem te stellen termijn.

  2. Als een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die op een andere manier tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

  3. Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste en tweede lid, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

  4. Als in de nabijheid van de in artikel 4:17 lid 1 aangegeven houtopstanden werkzaamheden gaan plaatsvinden die de leefbaarheid van de houtopstand nadelig kunnen beïnvloeden is de uitvoerder verplicht van de werkzaamheden een BEA (Boom Effect Analyse) op te stellen voorafgaand aan de werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende maatregelen met betrekking tot bescherming van de houtopstand op te volgen.

Artikel 4:19

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.

  1. In het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, kan het college plaatsen aanwijzen die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg zijn gelegen, waar het verboden is de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    1. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    2. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    3. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:23, vaartuigen of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

    4. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:21

Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

  1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

  2. Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.

Artikel 4:22

Definitie

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:23

Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.

  2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:

    1. de bescherming van natuur en landschap; of

    2. de bescherming van een dorpsgezicht.

  5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Maasdriel 2024