1. Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze:

    1. dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd en/of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat;

    2. dat deze een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare weg of openbare watergangen.

  2. Van hinder voor het wegverkeer is in ieder geval sprake als niet tenminste een vrije doorgang van 1,2 meter breed en 4,2 meter hoog wordt gelaten op voetpaden en van 3,5 meter breed en 4,2 meter hoog op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer of als de richtlijnen voor uitzichtdriehoeken volgens de ASVV (Aanbevelingen Stedelijke Verkeersvoorzieningen) niet haalbaar zijn.