1. Als een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het college is geveld, dan wel op andere wijze is tenietgedaan, zal het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die op een andere manier tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, een geldelijke boete opleggen ter hoogte van de vervangingswaarde volgens rekenmodel boomwaarde. Daarnaast kan het college de verplichting opleggen te herbeplanten, overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen en binnen een door hem te stellen termijn.

  2. Als een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die op een andere manier tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

  3. Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste en tweede lid, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

  4. Als in de nabijheid van de in artikel 4:17 lid 1 aangegeven houtopstanden werkzaamheden gaan plaatsvinden die de leefbaarheid van de houtopstand nadelig kunnen beïnvloeden is de uitvoerder verplicht van de werkzaamheden een BEA (Boom Effect Analyse) op te stellen voorafgaand aan de werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende maatregelen met betrekking tot bescherming van de houtopstand op te volgen.