1. Het is verboden zonder vergunning van het college een houtopstand te vellen of te doen vellen:

    1. die is opgenomen in de lijst van waardevolle bomen;

    2. die onderdeel uitmaakt van de boomstructuur volgens het boomstructuurplan;

    3. waarvoor bij een omgevingsplan, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit (voorbeschermingsregels) een vergunning vereist is als bedoeld in de artikelen 5.1 resp. 5.3 en 5.4 in samenhang met 4.4, tweede lid Omgevingswet.

  2. Voor bomen die voldoen aan minstens één van de in het eerste lid genoemde onderdelen wordt in beginsel geen omgevingsvergunning verleend, tenzij:

    1. er sprake is van grote gevaarzetting of vergelijkbaar spoedeisend belang van openbare orde of veiligheid beoordeeld door een onafhankelijk boomspecialist volgens de VTA-systematiek en eventueel nader onderzoek;

    2. de boom moet worden geveld op grond van de Plantenziektenwet;

    3. het gaat om het periodiek knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel voor de instandhouding van de boom, bij daarvoor geschikte bomen.

  3. Het college kan toestemming geven om bomen te vellen in die gevallen waar sprake is van zwaarwegende economische of maatschappelijke belangen.

  4. Het eerste lid is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen.

  5. Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen moet worden herplant. Tevens wordt daarbij bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  6. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.