1. Het college is bevoegd nadere regels te stellen die in het belang zijn van de kwaliteit van het op de weg aangeboden taxivervoer.

  2. De regels, als bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op:

    1. de herkenbaarheid van de auto waarmee taxivervoer op de weg wordt aangeboden;

    2. de eisen en verplichtingen van bestuurders van de auto;

    3. de indiening en behandeling van klachten van consumenten over taxivervoer;

    4. de wijze waarop wordt aangetoond dat aan de ingevolge de onder a tot en met c gestelde regels wordt voldaan.