1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:

    1. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

    2. zorginstelling;

    3. museum; of

    4. bedrijfskantine of -restaurant.

  3. De burgemeester weigert de vergunning als

    1. de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan;

    2. de exploitant of de leidinggevenden de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt;

    3. de exploitant en de leidinggevenden geen verklaring omtrent gedrag overleggen die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven, tenzij de exploitant tegelijk met of binnen twee weken voorafgaand of na indiening van de aanvraag om een exploitatievergunning een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet ten behoeve van de openbare inrichting heeft aangevraagd;

    4. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    5. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag voor de vergunning vermelde in overeenstemming zal zijn.

  4. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat:

    1. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;

    2. de exploitant of een leidinggevende binnen vijf jaar voor de datum van indiening van de vergunningaanvraag een openbare inrichting heeft geëxploiteerd die wegens het in ernstige mate nadelig beïnvloeden van de woon- en leefsituatie in de omgeving en/of de openbare orde of de vrees daarvoor gesloten is geweest;

    3. de exploitant of een leidinggevende binnen vijf jaar voor de datum van indiening van de vergunningaanvraag onmiddellijke leiding heeft gegeven aan een openbare inrichting die wegens het in ernstige mate nadelig beïnvloeden van de woon- en leefsituatie in de omgeving en/of de openbare orde of de vrees daarvoor gesloten is geweest; of

    4. voor de openbare inrichting een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet is geweigerd.

  5. Bij de toepassing van de in het vierde lid onder a genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie.

  6. De burgemeester vermeldt de leidinggevenden in een aanhangsel bij de vergunning.

  7. Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens om een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven dan wel te laten uitschrijven. Deze melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel. De burgemeester bevestigt onverwijld de ontvangst van de aanvraag.

  8. De burgemeester weigert de wijziging van het aanhangsel als de persoon, bedoeld in het zesde lid, niet voldoet aan de in de verordening gestelde eisen.

  9. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift of een vergunning een of meer terrassen bij de openbare inrichting toestaan.

  10. Onverminderd het bepaalde in het vierde lid kan de burgemeester het in het negende lid bedoelde vergunningsvoorschrift of vergunning ten behoeve van een of meer bij een openbare inrichting behorende terrassen weigeren:

    1. als het beoogde gebruik als terras schade toebrengt aan de openbare plaats dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of het doelmatig en veilig gebruik daarvan

    2. als het beoogde gebruik als terras een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats;

    3. in het belang van bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving.

  11. Het negende en tiende lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, het Reglement verkeersregels en verkeerstekens, de Wet milieubeheer, de Woningwet of de Afvalstoffenverordening Gouda 2011

  12. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 trekt de burgemeester de vergunning als bedoeld in het eerste lid in, indien:

    1. niet langer wordt voldaan aan de in het derde en vierde lid gestelde eisen;

    2. gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

    3. een niet daarin vermeld persoon leidinggevende is geworden in de betrokken openbare inrichting;

    4. zich in de betrokken openbare inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid;

    5. voor de openbare inrichting een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet is ingetrokken;

    6. bij de aanvraag van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, en verstrekking van de juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid.

  13. De vergunning(en) en het daarbij behorende aanhangsel, of afschriften daarvan, en in voorkomende gevallen een afschrift van de aanvraag en de ontvangstbevestiging als bedoeld in het zevende lid, zijn in de inrichting aanwezig.