1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 2:11 en 2:15 kan de burgemeester ter bescherming van de openbare orde dan wel van het woon- en leefklimaat, de sluiting bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte als daar:

    1. zich gedragingen hebben voorgedaan zoals omschreven in artikel 1 en/of 36 van de Wet op de kansspelen;

    2. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen;

    3. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend; of

    4. zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde dan wel het woon- en leefklimaat.

  2. Artikel 2:15, tweede tot en met zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing als de burgemeester krachtens artikel 2:16, eerste lid heeft besloten tot sluiting van een gebouw, inrichting of ruimte.

  3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing als de burgemeester krachtens artikel 174a van de Gemeentewet of artikel 13b van de Opiumwet heeft besloten tot sluiting van een woning, een lokaal of een bij de woning of dat lokaal behorend erf.