Algemene Plaatselijke Verordening (APV) gemeente Enschede 2009 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
HOOFDSTUK ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK OPENBARE ORDE
AFDELING BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDEN
Afdeling BETOGING
AFDELING VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKEN
Afdeling VERTONINGEN E.D. OP DE WEG
Afdeling BRUIKBAARHEID EN AANZIEN VAN DE WEG
Afdeling VEILIGHEID OP DE WEG
Afdeling EVENEMENTEN
Afdeling TOEZICHT OP HORECABEDRIJVEN EN ANDERE VOOR PUBLIEK OPENSTAANDE GEBOUWEN
Afdeling TOEZICHT OP INRICHTINGEN TOT HET VERSCHAFFEN VAN NACHTVERBLIJF
Afdeling TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN
Afdeling SPEELAUTOMATEN
Afdeling MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID
Afdeling BESTRIJDING VAN HELING VAN ZAKEN
Afdeling VUURWERK
Afdeling DRUGSOVERLAST
Afdeling VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN, CAMERATOEZICHT EN ANDERE BIJZONDERE BEVOEGDHEDEN VAN DE BURGEMEESTER
Afdeling CARBIDSCHIETEN
Afdeling TOEZICHT OP SMART-, HEAD- EN GIFTSHOPS
AFDELING RECREATIEPARK HET RUTBEEK
HOOFDSTUK SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE E.D.
PARAGRAAF BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN EN NADERE REGELS
PARAGRAAF SEKSINRICHTINGEN, ESCORTBEDRIJVEN, STRAATPROSTITUTIE, SEKSWINKELS EN DERGELIJKE
PARAGRAAF BESLISTERMIJN, TENAAMSTELLING EN GELDIGHEIDSDUUR, WEIGERINGS- EN INTREKKINGSGRONDEN, SLUITING
PARAGRAAF WIJZIGING DAN WEL BEËINDIGING EXPLOITATIE; WIJZIGING BEHEER
PARAGRAAF OVERGANGSBEPALINGEN
HOOFDSTUK BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE
HOOFDSTUK ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE
Hoofdstuk STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK

OPENBARE ORDE

Artikel 2:1

Samenscholing en ongeregeldheden

  1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden;

  2. Een ieder die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen;

  3. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet;

  4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod;

  5. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2:2

Kennisgeving optocht of herdenkingsplechtigheid

[vervallen]

Artikel 2:3

Kennisgeving openbare manifestaties

  1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging of een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging of samenkomst wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  2. De kennisgeving bevat:

    1. naam en adres van degene die de betoging of samenkomst houdt;

    2. het doel van de betoging of samenkomst;

    3. de datum waarop de betoging of samenkomst wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    4. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

    5. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;

    6. maatregelen die degene die de betoging of samenkomst houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

  4. De zaterdag, de zondag en een algemeen erkende feestdag in de zin van artikel 3 van de Algemene termijnenwet worden niet meegerekend bij de bepaling van de in het eerste lid genoemde termijn van 48 uur.

  5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid, genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.

Artikel 2:6

Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedruktestukken of afbeeldingen

[vervallen]

Artikel 2:10

Het plaatsen van voorwerpen in de publieke ruimte in strijd met de publieke functie ervan

Artikel 2:15

Hinderlijke beplanting of gevaarlijke voorwerpen

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daarvoor op andere wijze hinder of gevaar oplevert.

Artikel 2:16

Openen straatkolken e.d.

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:19

Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp

  1. Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.

  3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

  4. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.

Artikel 2:21

Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  2. Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel 2:23.1

Opsporen, opgraven e.d. van explosief materiaal

  1. Het is verboden met behulp van een metaaldetector of een ander voorwerp explosief materiaal op te sporen, dan wel explosief materiaal op te graven of uit de grond te verwijderen.

  2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 2:23.2

Vervoer opsporing- of graafgereedschap e.d.

  1. Het is verboden in door het college aangewezen gedeelten van de gemeente een metaaldetector of een ander voorwerp dat kan dienen tot het opsporen van metalen, te vervoeren of bij zich te hebben, dan wel in die gedeelten van de gemeente een voorwerp dat kan dienen tot het graven in de grond, te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet, indien de in dat lid bedoelde voorwerpen niet bestemd of gebruikt zijn voor het opsporen, opgraven of uit de grond verwijderen van explosief materiaal.

  3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt eveneens niet voor diegene aan wie het college een ontheffing heeft verleend als bedoeld in artikel 2.23.1, lid 2, binnen de grenzen van tijd en plaats zoals in die ontheffing zijn aangegeven.

  4. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 2:24

Begripsbepaling

  1. In deze afdeling wordt onder een evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak.

  2. Onder een evenement wordt mede verstaan:

    1. Een herdenkingsplechtigheid;

    2. Een braderie;

    3. Een themamarkt, tenzij deze privaatrechtelijk is gereguleerd;

    4. Een beurs;

    5. Een grootschalig verkoopevenement in een evenementenhal;

    6. Een optocht op de weg niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.3 APV;

    7. Een besloten bijeenkomst voor zover die plaatsvindt op een openbare plaats;

    8. Een (besloten) bijeenkomst waarvoor publiekelijk kaarten worden verkocht en/of publiekelijk reclame wordt gemaakt;

    9. Tentfeesten;

    10. Een vuurwerkshow.

Artikel 2:25

Vergunning

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

  2. De organisator van een evenement zorgt er voor dat de openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en de bescherming van het milieu gewaarborgd zijn.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als de organisator van een vechtsportwedstrijd of –gala, welke behoort tot door de burgemeester aan te wijzen categorieën, van slecht levensgedrag is.

  4. De burgemeester kan te allen tijde nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en de bescherming van het milieu.

Artikel 2:25A

Meldingsplichtig evenement

  1. Het verbod van artikel 2:25 lid 1 geldt niet voor een meldingsplichtig evenement.

  2. Het is verboden zonder tijdige melding aan de burgemeester een meldingsplichtig evenement te organiseren.

  3. Onder een meldingsplichtig evenement wordt verstaan een evenement, niet zijnde een evenement als bedoeld in lid 4, dat voldoet aan alle van de onderstaande voorwaarden:

    1. Het betreft een evenement van maximaal twee aaneengesloten dagen;

    2. Het aantal bezoekers bedraagt maximaal 500 personen per dag;

    3. Het evenement vindt niet plaats op een van de volgende aangewezen evenementenlocaties: Van Heekplein, Oude Markt, Ei van Ko, Kruispunt de Graaf, Stationsplein, Plein Zuidmolen en Willem Wilminkplein en in het Volkspark;

    4. Het evenement vindt plaats tussen 09.00 en 24.00 uur;

    5. Enkel en alleen achtergrondmuziek is hoorbaar tot 55 dB(A) / 70 dB (C) (van 09.00 tot 19.00 uur) en 50 dB(A) / 65 dB (C) (van 19.00 tot 24.00 uur), gemeten op 20 meter van de geluidsbron;

    6. Er wordt geen podium geplaatst dat hoger is dan 1 meter of is voorzien van een overkapping of achterwand, geen tribune hoger dan twee meter, of andere vergelijkbare grote objecten ten behoeve van het evenement;

    7. Er ontstaat door het plaatsen van objecten geen schade aan de weg of aan groenvoorzieningen;

    8. Tenten zijn niet groter dan 50 m2;

    9. Er worden geen wegen afgesloten. Buurt- en straatfeesten worden hiervan uitgezonderd, mits het een 30-km straat betreft, die geen busroute, omleidingsroute of doorgaande weg is;

    10. Er zijn geen verkeersomleidingen noodzakelijk;

    11. Er wordt geen vuurwerk afgestoken;

    12. Er is geen open vuur. Vuurkorven worden hiervan uitgezonderd, mits zij zodanig gebruikt worden dat zij geen gevaar voor de omgeving opleveren en dat voldoende blusmiddelen aanwezig zijn;

    13. Het evenement is geen vechtsportwedstrijd of -gala als bedoeld in artikel 2:25 lid 3.

  4. Onder een meldingsplichtig evenement wordt eveneens verstaan een evenement dat voldoet aan alle van de onderstaande voorwaarden:

    1. Het evenement vindt plaats in een sociaal cultureel centrum of een evenementeninrichting/gebouw of in de tot die gebouw/locatie behorende buitenruimte;

    2. Het gebouw en/of de locatie:

      1. beschikt over de vereiste omgevingsvergunning voor de activiteit milieu en, indien van toepassing, een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik, of;

      2. beschikt over de vereiste vergunning in het kader van de milieubelastende activiteit, of;

      3. beschikt over de vereiste geaccepteerde melding in het kader van de milieubelastende activiteit, of;

      4. heeft een eigenaar die heeft voldaan aan de informatieplicht in het kader van de milieubelastende activiteit;

    3. Het bezoekersaantal bedraagt maximaal 5.000 personen per dag;

    4. Het gebouw/de locatie beschikt over een geaccepteerde melding brandveilig gebruik voor evenementen;

    5. Het evenement behoort gezien de grootschaligheid, de muziekstijl, het soort publiek en de sluitingstijd tot de normale bedrijfsvoering van het gebouw/de locatie;

    6. Het evenement heeft geen groot uitstralingseffect op de omgeving, zoals bijvoorbeeld een live optreden van een zeer bekende groep of artiest of een soort hardcore/houseparty, waardoor overlast kan ontstaan en/of de openbare orde, (verkeers)veiligheid, zedelijkheid of gezondheid in het geding kunnen komen;

    7. Er wordt geen podium geplaatst dat hoger is dan 1 meter of is voorzien van een overkapping of achterwand, geen tribune hoger dan twee meter, of andere vergelijkbare grote objecten ten behoeve van het evenement;

    8. Er is geen aanleiding te vermoeden dat door het evenement de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komen;

    9. Door het evenement wordt er geen extra ruimte gevraagd in de openbare ruimte (parkeren) en zijn er geen verkeersmaatregelen noodzakelijk zoals afsluiting van wegen;

    10. Het evenement is geen vechtsportwedstrijd of -gala als bedoeld in artikel 2:25 lid 3.

  5. Indien na melding van een evenement blijkt dat niet aan alle voorwaarden voor een meldingsplichtig evenement wordt voldaan, wordt de organisator hiervan op de hoogte gebracht.

Artikel 2:25B

Verbod, voorschriften en beperkingen bij meldingsplichtige evenementen

De burgemeester kan een meldingsplichtig evenement verbieden of kan voorschriften of beperkingen opleggen, indien er aanleiding is te vermoeden dat door het evenement de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komen.

Artikel 2:25C

Uitzonderingen op de vergunning- en de meldingsplicht

  1. Bioscoopvoorstellingen;

  2. Markten zoals genoemd in de Gemeentewet;

  3. Kansspelen als bedoeld in de Wet op de Kansspelen;

  4. Het in een gebouw in de zin van Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen, te weten in discotheken en muziekcafés t/m categorie 2 (VNG “Handreiking bedrijven en milieuzonering” en opvolgende versies);

  5. Betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

  6. Voetbalwedstrijden als bedoeld in artikel 2:26A;

  7. Sportwedstrijden waaraan uitsluitend wordt deelgenomen door amateursporters op de daarvoor bestemde sportlocaties, niet zijnde een vechtsportwedstrijd of -gala als bedoeld in artikel 2:25 lid 3;

  8. Toneel-, muziek-, theater-, cabaretvoorstellingen en dergelijke die plaatsvinden in de daarvoor bestemde gebouwen/locaties;

  9. Tentoonstellingen/exposities, presentaties en congressen die plaatsvinden in daarvoor bestemde gebouwen/locaties;

  10. Paasvuren, tenzij deze gepaard gaan met festiviteiten (tentfeesten) waarbij tenten of andere objecten worden geplaatst en waarbij bijvoorbeeld versterkte muziek ten gehore wordt gebracht en/of alcohol wordt geschonken.

  1. Evenementen waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 2:25 of melding als bedoeld in artikel 2:25A vereist is, zijn:

  2. In afwijking van lid 1 is een vergunning als bedoeld in artikel 2:25 of een melding als bedoeld in artikel 2:25A wel vereist voor evenementen genoemd in lid 1, onder a, h en i als deze plaatsvinden in een evenementeninrichting/gebouw/locatie of de tot die gebouw/locatie behorende buitenruimte als bedoeld in artikel 2:25A lid 4 en die bestemd is voor meerdere soorten evenementen en niet slecht voor één specifieke soort evenement.

Artikel 2:25D

Indieningstermijn vergunning en melding

De indieningstermijn voor een melding en een vergunning zijn:

  1. Minimaal 15 werkdagen voorafgaand aan een meldingsplichtig evenement als bedoeld in artikel 2:25A lid 3 en lid 4;

  2. Minimaal 12 weken en maximaal 30 weken voorafgaand aan een vergunningplichtig evenement.

Artikel 2:26

Ordeverstoring

  1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

  2. Het is verboden enig gereedschap, voorwerp of middel te vervoeren of bij zich te hebben met de kennelijke bedoeling daarmee bij een evenement de orde te verstoren.

  3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak en een herdenkingsplechtigheid.

Artikel 2:26A

Begripsomschrijvingen voetbal

Voor de toepassing van de artikelen 2.26a t/m 2.26ae wordt verstaan onder:

  1. organisator:

    1. de betaald voetbalorganisatie FC Twente BV, indien het betreft een voetbalwedstrijd waarbij het eerste elftal van de betaald voetbalorganisatie FC Twente B.V. als thuisspelende ploeg is betrokken;

    2. de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, indien het betreft een voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties afkomstig van buiten de gemeente Enschede waarbij ten minste één betaald voetbalorganisatie is betrokken, of indien het betreft een wedstrijd tussen vertegenwoordigende elftallen.

    3. degene die buiten de gevallen genoemd onder 1 en 2 een voetbalwedstrijd organiseert waarbij ten minste één betaald voetbalorganisatie is betrokken.

  2. voetbalwedstrijd: een voetbalwedstrijd georganiseerd door een organisator als bedoeld onder a;

  3. Convenant Betaald Voetbal: het convenant met afspraken over voetbalwedstrijden van de betaald voetbalorganisatie FC Twente B.V., dat is overeengekomen tussen de burgemeester van de gemeente Enschede, het Openbaar Ministerie, de Politie en de betaald voetbalorganisatie FC Twente B.V.

  4. Veiligheidsverklaring: de veiligheidsverklaring zoals bedoeld in het Licentiereglement van de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond.

Artikel 2:26aa

Voetbalvergunning

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een voetbalwedstrijd te houden of te doen houden.

  2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan betrekking hebben op meerdere wedstrijden.

Artikel 2:26ab

Indienen aanvraag

  1. Een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.26aa wordt uiterlijk twee weken voor de datum van de voetbalwedstrijd ingediend.

  2. In afwijking van het eerste lid wordt een aanvraag om een vergunning voor meerdere wedstrijden als bedoeld in artikel 2.26aa tweede lid uiterlijk 6 weken voor de datum van de eerste voetbalwedstrijd ingediend.

  3. De burgemeester kan van de in het eerste en tweede lid vermelde indieningstermijnen afwijken en de uiterlijke datum van indiening van de aanvraag afzonderlijk bepalen.

  4. De aanvraag om een vergunning geschiedt door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier.

  5. In de aanvraag om een vergunning wordt in ieder geval vermeld:

    1. de gegevens van de organisator;

    2. de deelnemende voetbalorganisaties;

    3. de datum, het tijdstip en de locatie van de wedstrijd.

Artikel 2:26ac

Weigering van de vergunning

In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning weigeren indien:

  1. het aannemelijk is dat een of meer aan de vergunning te verbinden voorschriften niet zullen worden nageleefd;

  2. de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van de voetbalwedstrijd;

  3. een of meer afspraken, zoals overeengekomen in Convenant Betaald Voetbal, niet worden of kunnen worden nagekomen, of

  4. de betaald voetbalorganisatie FC Twente B.V. niet beschikt over een geldige Veiligheidsverklaring.

Artikel 2:26ad

Wijziging of intrekking van de vergunning

  1. In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning geheel of gedeeltelijk wijzigen, waaronder begrepen het stellen van nadere voorschriften, of intrekken indien:

    1. er sprake is van een ernstige verstoring van de openbare orde of de vrees bestaat voor het ontstaan daarvan;

    2. het aannemelijk is dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden of zullen worden nageleefd;

    3. de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van de voetbalwedstrijd, of

    4. een of meer afspraken, zoals overeengekomen in Convenant Betaald Voetbal, niet worden of kunnen worden nagekomen.

  2. Als een vergunning betrekking heeft op meerdere wedstrijden kan een wijziging of intrekking van de vergunning betrekking hebben op 1 of meerdere wedstrijden.

Artikel 2:26b

Orde in verband met betaald voetbalwedstrijden

  1. Het is verboden de openbare orde te verstoren bij een voetbalwedstrijd als bedoeld in artikel 2:26a.

  2. Vanaf 48 uur voor het vastgestelde begin van een betaald voetbalwedstrijd tot 24 uur na afloop daarvan is het verboden voorwerpen mee te voeren waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze zijn bedoeld om de openbare orde te verstoren.

  3. Al diegenen die zich vanaf 48 uur voor het vastgestelde begin van een betaald voetbalwedstrijd tot 24 uur na afloop van die wedstrijd op openbare plaatsen gemaskerd, vermomd of op enige andere wijze onherkenbaar gemaakt vertonen, zijn verplicht zich op eerste vordering van een ambtenaar van politie van het masker of andere vermomming te ontdoen.

Artikel 2:26c

Supportersstromen en verwijderingsplicht voetbalsupporters

  1. Al diegenen die behoren tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maken en in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de te bezoeken wedstrijd zijn verplicht om, als sprake is van verstoring van de openbare orde of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, hun weg naar het stadion te vervolgen zodra ze de gemeente bereiken.

  2. Al diegenen die behoren tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maken zijn verplicht om, als sprake is van verstoring van de openbare orde of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, direct na afloop van de wedstrijd te vertrekken uit de gemeente, tenzij men woonachtig is in de gemeente Enschede.

  3. Al diegenen die zich door kleding, uitrusting of gedragingen kenbaar maken als voetbalsupporters, en niet in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de voetbalwedstrijd of op enige wijze de openbare orde verstoren of de kennelijke bedoeling hebben deze te verstoren of wiens aanwezigheid een gevaar op escalatie vergroot, zijn verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie met inachtneming van diens aanwijzingen zich naar een in dit bevel aangegeven plaats te begeven, of zich te verwijderen uit een in het bevel aangegeven gebied, of zich buiten de gemeentegrenzen van de gemeente Enschede te begeven.

  4. De in lid 3 genoemde verplichtingen tot verwijdering uit een in het bevel genoemd gebied of tot het zich begeven buiten de gemeentegrenzen zijn niet van toepassing op diegenen die aannemelijk kunnen maken woonachtig te zijn in het betreffende gebied respectievelijk binnen de gemeentegrenzen van de gemeente Enschede.

Artikel 2:26d

Stadion omgevingsverbod

  1. De burgemeester kan aan een persoon schriftelijk het verbod opleggen zich op te houden in een door hem nader aan te wijzen gebied rondom het voetbalstadion van FC Twente vanaf vier uur voor het vastgestelde aanvangstijdstip tot vier uur na afloop van betaald voetbalwedstrijden.

  2. Het verbod geldt voor een bepaalde periode van ten hoogste twee jaar.

  3. De burgemeester kan overgaan tot het opleggen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien de persoon de openbare orde in de omgeving van genoemd stadion in ernstige mate heeft verstoord op een dag dat een voetbalwedstrijd in dit stadion is gespeeld.

Artikel 2:27

Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. Horecabedrijf:

    1. de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een horecabedrijf worden in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder horecabedrijf wordt tevens verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en andere aanhorigheden;

    2. afhaal- en bezorgcentrum: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waar anders dan om niet uitsluitend voor gebruik elders dan ter plaatse in hoofdzaak ter plekke bereide en voor directe consumptie geschikte eetwaren en (zwak alcoholische) dranken plegen te worden verstrekt;

    3. de niet voor het publiek toegankelijke lokaliteiten die voor het publiek op de weg bereikbaar zijn, uitgezonderd standplaatsen als bedoeld in bedoeld in Bijlage 1.2 van de Verordening Kwaliteit Leefomgeving, voor zover daar gelegenheid wordt gegeven anders dan om niet voor directe consumptie geschikte eetwaren en/ of alcoholvrije dranken te verkrijgen, af te halen of te verbruiken.

  2. Commercieel horecabedrijf: een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Alcoholwet waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend, of een inrichting als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Drank- en Horecaverordening waarin rechtmatig alcoholvrije drank voor gebruik ter plaatse wordt verstrekt, waar de hoofdactiviteit bestaat uit de verstrekking van dranken, maaltijden en/of kleine etenswaren voor verbruik ter plaatse of het geven van gelegenheid tot dansen, of een horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid 1 onder b en c.

  3. Uitgaansgebied Centrum:

    1. het gebied dat wordt gevormd door:

      1. de Oude Markt;

      2. de oostzijde van de Langestraat tussen de Oude Markt en de Hofstraat;

      3. de noordzijde van het westelijke deel van de Hofstraat vanaf de Langestraat tot en met nr. 3 en het perceel Klokkenplas 1 en de achterzijde van het perceel Oude Markt 26;

      4. de Menistenstraat;

      5. de Stadsgravenstraat, vanaf de Markstraat tot en met nr. 42 aan de zuidzijde en tot en met nr. 75 aan de noordzijde;

      6. de Markstraat vanaf de Stadsgravenstraat tot de Oude Markt;

      7. de Noorderhagen, vanaf kruispunt de Graaf tot de Knibbelbrugsteeg

      8. de Bolwerkstraat;

      9. de Knibbelbrugsteeg vanaf de Stadsgravenstraat tot en met nr. 3;

    2. omgeving Wilminkplein en Harry Banninkstraat zoals aangegeven op de kaart (zie bijlage Uitgaansgebied Centrum)

  4. 4. Terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken en genuttigd en/of spijzen voor directe consumptie kunnen worden verstrekt en genuttigd.

Artikel 2:29

Sluitingstijd

  1. Het is verboden een horecabedrijf voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 00.00 uur en 07.00 uur.

  2. sub a. Het verbod in het eerste lid geldt niet tussen 00.00 en 04.30 op werkdagen en op zaterdag voor commerciële horecabedrijven en horecabedrijven die worden geëxploiteerd door studentenorganisaties die zijn gelegen in het uitgaansgebied Centrum.

    sub b. Voor de zondag geldt het verbod in het eerste lid eveneens niet tussen 00.00 en 05.30 uur voor een bar, café, discotheek en horecabedrijven die geëxploiteerd worden door studentenorganisaties, die zijn gelegen in het uitgaansgebied Centrum.

    sub c. Voor de zondag geldt het verbod in het eerste lid niet tussen 00.00 en 05.00 uur voor andere dan de onder 2 sub b bedoelde commerciële horecabedrijven die zijn gelegen in het uitgaansgebied Centrum.

  3. Het verbod in het eerste lid geldt tussen 00.00 uur en 02.00 uur eveneens niet voor commerciële horecabedrijven gelegen buiten het uitgaansgebied Centrum.

  4. Het verbod in het eerste lid geldt voorts niet voor niet-commerciële horecabedrijven voor een bijzondere gelegenheid van zeer tijdelijke aard, voor de periode gelegen tussen 00.00 en 02.00 uur, mits de burgemeester ontheffing van het bepaalde in lid 1 heeft verleend.

  5. In bijzondere gevallen kan de burgemeester een horecabedrijf ontheffing verlenen van een ruimere strekking dan aangegeven in de leden 2 tot en met 4. Van deze bevoegdheid kan de burgemeester geen mandaat verlenen.

  6. De Burgemeester kan voor een bij een horecabedrijf behorend terras een ander sluitingsuur of andere sluitingsuren vaststellen dan bepaald in het eerste tot en met het vijfde lid.

  7. Het verbod in het eerste en tweede lid sub a tot en met d geldt in het uitgaansgebied Centrum niet op 1 januari en op 27 april.

  8. Het in het eerste tot en met het zevende lid bepaalde geldt niet voor zover op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn.

  9. Een horecabedrijf dat is gelegen buiten het uitgaansgebied Centrum, dat voor het jaar 2015 een ontheffing heeft verkregen als bedoeld in lid 5, kan bij ongewijzigde exploitatie van die ontheffing gebruik blijven maken.

Artikel 2:30

Afwijking sluitingstijden: algehele sluiting

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2.29 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. Van bijzondere omstandigheden is in ieder geval sprake wanneer er sprake is van een met een wettelijk voorschrift strijdige situatie.

  2. Indien tegen de ondernemer van een commercieel horecabedrijf voor de tweede maal binnen een periode van één jaar proces-verbaal is opgemaakt wegens handelen in strijd met het bepaalde in artikel 2:29, dan kan de burgemeester bepalen dat het betreffende horecabedrijf gedurende een bepaalde periode gesloten dient te zijn tussen 00.00 en 07.00 uur. Wanneer het een niet-commercieel horecabedrijf betreft kan de burgemeester bepalen dat het betreffende niet-commerciële horecabedrijf gedurende een bepaalde periode tussen 22.00 en 07.00 uur gesloten dient te zijn.

  3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.

Artikel 2:31

Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf

Het is bezoekers verboden zich in een horecabedrijf te bevinden gedurende de tijd dat het bedrijf krachtens artikel 2:29 of ingevolge een op grond van artikel 2:30 genomen besluit gesloten dient te zijn.

Artikel 2:32

Handel in horecabedrijven

  1. In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  2. De exploitant van een horecabedrijf laat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.

Artikel 2:33

Ordeverstoring

Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren.

Artikel 2:34

Het college als bevoegd bestuursorgaan

Indien een horecabedrijf geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd bestuursorgaan voor de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:31.

Artikel 2:34b

Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen

  1. De burgemeester kan ter bescherming van de openbare orde, de veiligheid of gezondheid, de tijdelijke sluiting bevelen van een voor publiek openstaand gebouw en bijbehorende erven als daar:

    1. is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen;

    1. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen;

    1. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend; of

    1. zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde, de veiligheid of gezondheid.

  2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.

Artikel 2:39

Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. Speelgelegenheid: Een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is, de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij premies, geld of in geld inwisselbare goederen kunnen worden gewonnen en verloren;

  2. Exploitant: Degene die krachtens een zakelijk of persoonlijk recht een speelgelegenheid exploiteert of, indien de exploitatie geschiedt door een rechtspersoon, de natuurlijke persoon die bestuurder is van die rechtspersoon;

  3. Beheerder: De natuurlijke persoon die de dagelijkse en onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van een speelgelegenheid.

Artikel 2:39.1

Bevoegd bestuursorgaan

In deze afdeling wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college van burgemeester en wethouders of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.

Artikel 2:39.2

Exploitatie van een speelgelegenheid

  1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een speelgelegenheid te exploiteren.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    1. Speelcasino’s, waarvoor op grond van artikel 27h van de Wet op de kansspelen een vergunning is vereist;

    2. Speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder c van de Wet op de kansspelen een vergunning is verleend;

    3. Speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, waar gelegenheid wordt gegeven te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen of waar gelegenheid wordt gegeven tot het beoefenen van enig ander kansspel waarvoor de Wet op de kansspelen een regeling kent;

    4. De door het bevoegde bestuursorgaan aangewezen soorten speelgelegenheden.

Artikel 2:39.3

Aanvraag

  1. Voor het indienen van een aanvraag om een vergunning maakt de exploitant gebruik van een door het bevoegde bestuursorgaan vastgesteld formulier.

  2. Bij een aanvraag wordt een bedrijfsplan overgelegd, waarin in ieder geval staat:

    1. een inhoudelijke beschrijving van de spelen die in de speelgelegenheid zullen worden beoefend, en voor elk spel de wijze waarop premies, geld of in geld inwisselbare goederen kunnen worden gewonnen en verloren;

    2. op welke wijze de bedrijfsactiviteiten zullen worden gefinancierd.

  3. Een wijziging in de gegevens van het bedrijfsplan als bedoeld in het tweede lid, deelt de exploitant vooraf schriftelijk mee aan het bevoegde bestuursorgaan; de mededeling wordt als aanvulling op het bedrijfsplan aangemerkt.

Artikel 2:39.4

Overdraagbaarheid vergunning

De vergunning is niet overdraagbaar, en gebonden aan de speelgelegenheid waarvoor zij is verleend.

Artikel 2:39.5

Eisen aan de exploitant en de beheerder

De exploitant en de beheerder van een speelgelegenheid:

  1. Staan niet onder curatele of bewind en zijn niet uit de ouderlijke macht of voogdij ontzet;

  2. Zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;

  3. Zijn niet binnen de laatste vijf jaar exploitant of beheerder geweest van een inrichting die voor een periode van ten minste vijf weken door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten of waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 2:39.2, eerste lid is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hen ter zake geen verwijt treft;

  4. Zijn niet binnen de laatste vijf jaar ten minste tweemaal onherroepelijk veroordeeld wegens overtreding van het bepaalde in de Alcoholwet, de Wet op de Kansspelen, de Opiumwet en de Wet wapens en munitie;

  5. Hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.

Artikel 2:39.6

Gronden voor weigering vergunning

  1. Het bevoegde bestuursorgaan weigert een vergunning als bedoeld in artikel 2:39.2 eerste lid, indien:

    1. De vestiging of de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend of in procedure zijnde bestemmingsplan of leefmilieuverordening in de zin van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing;

    2. De speelgelegenheid niet in een gebouw is gevestigd;

    3. De exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 2:39.5 gestelde eisen.

  2. Het bevoegde bestuursorgaan kan een vergunning als bedoeld in artikel 2:39.2, eerste lid weigeren, indien:

    1. Een eerdere vergunning voor de exploitatie van de speelgelegenheid is ingetrokken of de speelgelegenheid met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is gesloten; en voorts indien naar zijn oordeel:

    2. Het woon- en leefklimaat in de omgeving van de speelgelegenheid en/of de openbare orde of veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de speelgelegenheid;

    3. Het bedrijfsplan als bedoeld in artikel 2.39.3 onvoldoende garanties geeft dat het in deze verordening en in de Wet op de kansspelen bepaalde niet zal worden overtreden;

    4. Het op grond van andere feiten en omstandigheden onvoldoende vaststaat dat het bepaalde in de Wet op de kansspelen niet zal worden overtreden;

    5. Redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn.

Artikel 2:39.7

Verplichtingen van de exploitant en beheerder

  1. De exploitant van een speelgelegenheid is verplicht voldoende toezicht uit te oefenen op de gang van zaken gedurende de openingstijden van de speelgelegenheid, dan wel ervoor zorg te dragen dat voldoende toezicht wordt uitgeoefend.

  2. De exploitant is verplicht als beheerder van de speelgelegenheid op te laten treden degene die als zodanig in de vergunning staat vermeld.

  3. De exploitant en de beheerder dienen ervoor zorg te dragen dat de vergunning in de speelgelegenheid aanwezig is en deze op eerste vordering van een ambtenaar belast met het toezicht op deze regelgeving of op eerste vordering van een opsporingsambtenaar, ter inzage af te geven.

Artikel 2:39.8

Exploitatietijden

De artikelen 2:29 tot en met 2:33 zijn van overeenkomstige toepassing op speelgelegenheden die geen horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 2.27., eerste lid, met dien verstande dat in deze artikelen voor “de burgemeester” wordt gelezen: het bevoegde bestuursorgaan.

Artikel 2:39.9

Gronden voor intrekking vergunning

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 van deze verordening, kan het bevoegde bestuursorgaan de vergunning voor een speelgelegenheid intrekken, indien:

  1. De exploitant in strijd handelt met hetgeen hij in het bedrijfsplan als bedoeld in artikel 2:39.2 heeft opgenomen;

  2. Het aanvullend bedrijfsplan als bedoeld in artikel 2.39.3, derde lid, onvoldoende garanties geeft dat de Wet op de kansspelen niet zal worden overtreden;

  3. Het bepaalde in de Wet op de kansspelen wordt overtreden;

  4. In de speelgelegenheid strafbare feiten plaatsvinden die een bedreiging vormen voor de veiligheid of orde in de speelgelegenheid;

  5. De openbare orde, de veiligheid, of het woon- en leefklimaat door de aanwezigheid van de speelgelegenheid wordt verstoord of benadeeld;

  6. De exploitant of beheerder niet langer voldoet aan de in artikel 2:39.5 gestelde eisen;

  7. De exploitant of beheerder de in artikel 2:39.7 neergelegde verplichtingen niet of onvoldoende nakomt;

  8. De exploitant of beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt.

Artikel 2:39.10

Sluiting speelgelegenheid

  1. Indien het belang van de openbare orde of de veiligheid dat naar zijn oordeel vereist, kan het bevoegde bestuursorgaan de sluiting van een speelgelegenheid bevelen.

  2. Indien de in het eerste lid genoemde belangen de sluiting naar zijn oordeel niet langer vereisen, heft het bevoegde bestuursorgaan de sluiting op.

Artikel 2:39.11

Beëindiging exploitatie speelgelegenheid

  1. De exploitant is verplicht, indien hij de exploitatie van de speelgelegenheid ten behoeve waarvan de vergunning is verleend beëindigt, hiervan binnen twee weken na de beëindiging schriftelijk mededeling te doen aan het bevoegde bestuursorgaan.

  2. Bij ontvangst van deze mededeling vervalt de vergunning, tenzij daarbij is aangegeven dat de bedrijfsactiviteiten door een ander worden voortgezet en een aanvraag voor een nieuwe vergunning binnen vier weken na de mededeling is ingediend.

  3. Behoudens het geval dat zwaarwegende feiten of omstandigheden zich daartegen verzetten, blijft de vergunning in dat geval van kracht totdat op de aanvraag een besluit is genomen.

Artikel 2.40

Speelautomaten

  1. Begripsomschrijvingen:

    1. Wet: de Wet op kansspelen;

    2. Speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a van de Wet;

    3. Behendigheidsautomaat als bedoeld in artikel 30 onder B van de Wet;

    4. Kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c van de Wet;

    5. Hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d van de Wet;

    6. Laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e van de Wet;

    7. Vergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 30b, lid 1 van de Wet.

  2. Met inachtneming van het bepaalde in het vierde lid zijn in hoogdrempelige inrichtingen maximaal vijf speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.

  3. In laagdrempelige inrichtingen zijn geen kansspelautomaten toegestaan. Met inachtneming van het bepaalde in het vierde lid zijn in hoogdrempelige inrichtingen behendigheidsautomaten toegestaan.

  4. Het maximaal toe te laten aantal speelautomaten wordt berekend op basis van de vloeroppervlakte van de lokaliteiten van een inrichting, waarbij voor elke gehele 35 m2 van een op de vergunning vermelde horecalokaliteit één speelautomaat is toegestaan, met dien verstande dat in elke inrichting ten minste twee speelautomaten zijn toegestaan.

  5. Aan een vergunning voor de aanwezigheid van een of twee kansspelautomaten worden, naast de bij of krachtens de wet verplichte voorschriften, in ieder geval de voorschriften verbonden dat:

    1. De vergunning, of een fotokopie daarvan, voor het publiek duidelijk zichtbaar aanwezig dient te zijn bij elke kansspelautomaat waarvoor die vergunning is verleend;

    2. Op de kansspelautomaat of –automaten uitsluitend mag worden gespeeld door personen aan wie tijdens hun aanwezigheid in de hoogdrempelige inrichting, tegen betaling van de normaal geldende prijzen, dranken zijn geschonken of maaltijden voor directe consumptie zijn verstrekt; voor de toepassing van deze bepaling wordt een terras niet beschouwd als een onderdeel van een hoogdrempelige inrichting.

  6. Een vergunning wordt verleend voor een periode van ten hoogste vier jaar.

Artikel 2:41

Betreden gesloten woning, lokaal, horecabedrijf of voor publiek openstaand gebouw

  1. Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 174a Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  2. Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 13b Opiumwet gesloten woning of lokaal, of een daarbij behorend erf te betreden.

  3. Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 2:30 lid 1 of artikel 2:34b lid 1 gesloten horecabedrijf respectievelijk voor publiek openstaand gebouw of een daarbij behorend erf te betreden.

  4. Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 174 Gemeentewet gesloten voor publiek openstaand gebouw of een daarbij behorend erf te betreden.

  5. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal, het horecabedrijf of het voor publiek openstaande gebouw of de daarbij behorende erven wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Artikel 2:42

Plakken en kladden

  1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is:

    1. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    2. met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  5. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

  7. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2:43

Vervoer plakgereedschap e.d.

  1. Het is verboden op de weg te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek plakmiddel, plakgereedschap, kalk, krijt, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap of enig ander materiaal of gereedschap.

  2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.

Artikel 2:44

Vervoer inbrekerswerktuigen

  1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2:45

Betreden van plantsoenen

  1. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te bevinden in of op een bij de gemeente in onderhoud zijn(de) park, wandelplaats, plantsoen, groenstrook of andere groenvoorziening buiten de daarin gelegen wegen, paden, verhardingen, grasvelden of grasstroken.

  2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te bevinden op een bij de gemeente in onderhoud zijn(de) grasveld of grasstrook dan wel op een daartoe in aanleg zijn(de) terrein, indien door borden is aangegeven dat dit wordt hersteld of pas is ingezaaid.

  3. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden op een bij de gemeente in onderhoud zijn(de) grasveld of grasstrook een tent, scherm of kampeerartikel te plaatsen of te hebben.

  4. Het is aan een persoon die schoenen met noppen draagt verboden op een grasveld of grasstrook, gelegen in een bij de gemeente in onderhoud zijn(de) park, wandelplaats, plantsoen, groenstrook of andere groenvoorziening, te voetballen, te hockeyen of een andere veldsport te beoefenen.

  5. De in het derde lid en in het vierde lid gestelde verboden zijn niet van toepassing indien de daar omschreven handelingen geschieden op plaatsen waar dit blijkens van gemeentewege geplaatste borden uitdrukkelijk is toegestaan.

Artikel 2:47

Hinderlijke gedrag en straatintimidatie op openbare plaatsen

  1. Het is verboden:

    1. op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

    2. zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan andere gebruikers of gebruikers van nabij die openbare plaats gelegen gebouwen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt.

  2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:48

Openlijk drankgebruik

  1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op openbare plaatsen alcoholhoudende drank te nuttigen als dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken.

  2. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  3. Het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor:

    1. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;

    2. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

Artikel 2:49

Verboden gedrag bij of in gebouwen

  1. Het is verboden:

    1. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;

    2. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

  2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.

Artikel 2:49a

Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

Artikel 2:50

Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.

Artikel 2:51

Neerzetten van fietsen e.d.

Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek, indien:

  1. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek;

  2. daardoor die ingang wordt versperd.

Artikel 2:52

Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.

Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2:52a

Tijd- en plaatsgebonden rijverbod fatbikes

  1. Het is verboden om op een fatbike te rijden binnen het gebied voetgangerszone binnenstad, zoals aangeduid in de bijlage bij dit artikel, op maandag, dinsdag, woensdag, vrijdag en zaterdag van 10:00 tot 18:00 uur, op donderdag van 10:00 tot 21.00 uur en op zondag van 12:00 tot 17:00 uur.

  2. Het is tevens verboden om op een fatbike te rijden binnen andere gebieden die door het college van burgemeester en wethouders zijn aangewezen op door het college bepaalde dagen en tijdstippen.

  3. Het college van burgemeester en wethouders kan ontheffing verlenen van het verbod, zoals bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel.

  4. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om ter uitvoering van dit artikel nadere regels vast te stellen.

Artikel 2:52b

Overgangsregeling tijd- en plaatsgebonden rijverbod fatbikes voor (maaltijd)bezorgers

  1. Ondernemers die zijn gevestigd in de gemeente Enschede en voor de uitvoering van hun werkzaamheden gebruikmaken van (maaltijd)bezorgers op fatbikes voor wie toegang tot het gebied voetgangerszone binnenstad, zoals aangeduid in de bijlage bij artikel 2:52a, eerste lid, noodzakelijk is, zijn gedurende drie maanden na inwerkingtreding van artikel 2:52a, eerste lid, vrijgesteld van het daarin genoemde rijverbod.

  2. De vrijstelling van het rijverbod als bedoeld in het eerste lid van dit artikel geldt ook voor de individuele personen die voor de ondernemers op een fatbike werkzaamheden verrichten, voor zover zij herkenbaar zijn als (maaltijd)bezorger door middel van bedrijfskleding of -uitrusting én kunnen aantonen dat zij op dat moment een bestelling moeten afleveren of ophalen in het gebied voetgangerszone binnenstad en zich daarbij via de kortste route van het (maaltijd)bedrijf naar hun bezorgadres begeven en omgekeerd.

Artikel 2:56a

Brandkranen

Het is degene die daartoe niet bevoegd is verboden, op een openbare brandkraan een aansluiting te maken of te hebben waardoor daaraan water wordt of kan worden onttrokken, dan wel handelingen te verrichten waardoor daaruit water ontsnapt of kan ontsnappen.

Artikel 2:57

Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie

[vervallen]

Artikel 2:59

Gevaarlijke honden

  1. Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

  3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    1. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    2. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

    3. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

  4. Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Artikel 2:60

Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

[vervallen]

Artikel 2:62

Loslopend vee

De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.

Artikel 2:63

In bewaring nemen van loslopend onbeheerd vee

[vervallen]

Artikel 2:66

Begripsbepaling

n deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:67

Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld:

    1. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    2. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    3. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;

    4. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;

    5. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

  2. De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen.

Artikel 2:68

Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  1. De burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

    1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

    2. van een verandering van de onder a, sub 1º, bedoelde adressen;

    3. als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

    4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan.

  2. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;·

  3. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  4. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:69

Vervreemding van door opkoop verkregen goederen

[vervallen]

Artikel 2:74

Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden, daar post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen of zich daar in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2:74a

Openlijk drugsgebruik

Het is verboden op een openbare plaats en in een voor publiek openstaand gebouw en bijbehorende erven, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten.

Artikel 2:74b

Weggooien van spuiten e.d.

Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals naalden, reservoirs, zuigers e.d. of daarop gelijkende voorwerpen op openbare plaatsen en in een voor publiek openstaand gebouw en bijbehorende erven achter te laten - met inbegrip van afvalbakken en afvalcontainers - met het kennelijke doel om afstand van het voorwerp te doen.

Artikel 2:76

Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:77

Cameratoezicht op openbare plaatsen

  1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten om voor een bepaalde duur camera’s in te zetten ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties.

  2. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere voor een ieder toegankelijke plaatsen.

Artikel 2:77a

Gebiedsontzeggingen

  1. De burgemeester is bevoegd om in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel te geven zich gedurende ten hoogste 96 uren niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op te houden.

  2. De burgemeester beperkt het krachtens het eerste lid gegeven bevel, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt.

  3. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.

Artikel 2:84

Toepasselijkheid

Deze afdeling is niet van toepassing voor zover de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Artikel 2:85

Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is of anders dan om niet, handelingen en werkzaamheden worden verricht die verband houden met dan wel inherent zijn aan het exploiteren van hetgeen in het maatschappelijk verkeer vaak wordt aangeduid als een smartshop, headshop of giftshop;

  2. leidinggevende:

    1. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd;

    2. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting;

    3. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting;

Artikel 2:86

Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een inrichting te exploiteren.

Artikel 2:87

Eisen leidinggevende

Een leidinggevende:

  1. staat niet onder curatele;

  2. is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;

  3. is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;

  4. heeft de leeftijd van 21 jaar bereikt.

Artikel 2:88

Nadere regels

De burgemeester kan nadere regels vast stellen voor wat betreft het aantal inrichtingen waarvoor vergunning kan worden verleend alsmede voor die inrichting geldende nadere voorwaarden.

Artikel 2:89

Vergunningaanvraag

  1. Voor het verkrijgen van een vergunning moet een aanvraag bij de burgemeester worden ingediend aan de hand van een door de burgemeester vast te stellen formulier.

  2. Bij de aanvraag, bedoeld in het vorige lid, wordt tenminste:

    1. opgaaf gedaan van de personalia van de leidinggevende(n) voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd;

    2. opgaaf gedaan van de personalia en het adres van iedere overige leidinggevende;

    3. overgelegd een recente pasfoto van de leidinggevende(n);

    4. opgaaf gedaan van het adres en de aard van de bedrijfsuitoefening;

    5. overgelegd een nauwkeurige beschrijving van de inrichting, waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan en een plattegrond van de inrichting (schaal 1 : 100).

  3. Per inrichting wordt niet meer dan één aanvraag gelijktijdig in behandeling genomen.

Artikel 2:90

Beslistermijn

  1. De burgemeester beslist binnen dertien weken na de datum waarop de aanvraag met bijbehorende bescheiden is ontvangen.

  2. De burgemeester kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. De aanvrager van de vergunning wordt voor de afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis gesteld van de verdaging.

Artikel 2:91

Weigeringsgronden

  1. De burgemeester weigert de vergunning indien:

    1. de vestiging of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een in procedure zijnd plan, een stadsvernieuwingsplan, een leefmilieuverordening of met het bepaalde in of krachtens deze verordening;

    2. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    3. een leidinggevende in de vijf jaren voorafgaand aan de aanvraag betrokken is geweest bij de exploitatie van een inrichting, ten aanzien waarvan een bestuurlijke maatregel is opgelegd.

  2. De burgemeester kan de vergunning weigeren indien naar zijn oordeel door de aanwezigheid van de inrichting de openbare orde en veiligheid wordt aangetast of het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting nadelig wordt beïnvloed.

  3. Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester in ieder geval rekening met:

    1. het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal komen te liggen;

    2. de aard van de inrichting;

    3. de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting;

    4. de concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied;

    5. de wijze van bedrijfsuitoefening door de leidinggevende(n) van de inrichting in deze of in andere inrichtingen;

    6. de wijze van bedrijfsuitoefening van de inrichting in het verleden.

  4. De burgemeester kan een vergunning ten aanzien van een inrichting, waarvan de vergunning op grond van artikel 2:94, aanhef en onder c is ingetrokken, gedurende een bij die intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar weigeren.

Artikel 2:92

Vergunning

  1. In een vergunning worden vermeld:

    1. de natuurlijke of rechtspersoon of -personen aan wie de vergunning is verleend;

    2. de leidinggevenden;

    3. tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt;

    4. de plaats waar de inrichting zich bevindt;

    5. de situering en de oppervlakten van de lokaliteiten.

  2. De vergunning of een afschrift daarvan is in de inrichting aanwezig.

  3. De vergunning wordt verleend voor een periode van 3 jaar, en kan door een uiterlijk 13 weken voor afloop van die periode ingediende aanvraag worden verlengd met telkens een periode van 3 jaar.

  4. Indien een inrichting een zodanige verandering ondergaat dat zij niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning gegeven omschrijving, is de vergunninghouder verplicht bedoelde wijziging binnen één maand bij de burgemeester te melden. De burgemeester verstrekt, indien nog aan de ten aanzien van de inrichting gestelde eisen wordt voldaan, een gewijzigde vergunning, waarin de ingevolge artikel 2:92 vereiste omschrijving is aangepast aan de nieuwe situatie.

Artikel 2:93

Aanwezigheid leidinggevende

Het is verboden een inrichting voor het publiek geopend te houden indien in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is die vermeld staat op een vergunning met betrekking tot die inrichting.

Artikel 2:94

Intrekkingsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 trekt de burgemeester de vergunning in, indien:

  1. aannemelijk is, dat een leidinggevende van de inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en veiligheid of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

  2. een leidinggevende van de inrichting toestaat dan wel gedoogt, dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd;

  3. zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde en veiligheid of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

  4. is gehandeld in strijd met artikel 2:92, vierde lid of artikel 2.93;

  5. indien de bedrijfsuitoefening van de inrichting voor een periode van langer dan 3 maanden is of wordt onderbroken;

  6. indien niet langer wordt voldaan aan het bepaalde in of krachtens deze afdeling.

Artikel 2:95

Vervallen vergunning

Een vergunning vervalt, wanneer:

  1. sedert haar verlening 3 maanden zijn verlopen, zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

  2. gedurende 3 maanden anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

  3. er sprake is van een gewijzigde exploitant, die geen nieuwe vergunning heeft aangevraagd;

  4. de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.

Artikel 2:96

Sluiting van inrichtingen

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer inrichtingen tijdelijk andere dan de bij of krachtens de Winkeltijdenwet vastgestelde sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. Van bijzondere omstandigheden is in ieder geval sprake wanneer er sprake is van een met een wettelijk voorschrift strijdige situatie.

  2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet of artikel 2:34b.

Artikel 2:98

Overgangsbepaling

  1. Artikel 2:86 is niet van toepassing op voor het moment van inwerkingtreding al aanwezige inrichtingen na afloop van 3 maanden na inwerkingtreding, indien de exploitant binnen die termijn een aanvraag om vergunning heeft ingediend, totdat op die aanvraag door de burgemeester is beslist.

Artikel 2:99

Openingstijden

  1. Het is verboden zich tussen zonsondergang en zonsopgang in Het Rutbeek te bevinden.

  2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor wegen die bestemd of mede bestemd zijn voor rijverkeer, woningen met bijbehorende erven en voor het publiek toegankelijke bedrijven, en door de Regio Twente aangewezen terreingedeelten.

Artikel 2:100

Rij- en trekdieren

  1. Het is in Het Rutbeek verboden zich buiten de wegen en paden te bevinden met een rij- of trekdier.

  2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor door de Regio Twente als zodanig aangewezen ruiterpaden en terreinen.

Artikel 2:101

Vaartuigen

  1. Het is in Het Rutbeek verboden met een vaartuig ligplaats te kiezen en/of in te nemen, zich daarmee in het water te bevinden, te varen of te doen varen.

  2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor door de Regio Twente als zodanig aangewezen water of gedeelten daarvan ten aanzien van de daarbij door de Regio Twente aangewezen categorieën van vaartuigen.

Artikel 2:102

Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond in Het Rutbeek te laten verblijven of te laten lopen:

    1. op een openbaar plaats zonder dat die hond is aangelijnd;

    2. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak, trimbaan, stranden, zonneweiden, speelweiden, openbaar water, de daarin gelegen paden en in voor het publiek, al dan niet met enige beperking toegankelijke gebouwen en ruimten;

    3. op een openbare plaats zonder te zijn voorzien van een halsband of een door middel van tatoeage aangebracht identificatiemerk, dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is, of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.

  3. De Regio Twente is bevoegd gedeelten van Het Rutbeek aan te wijzen waar het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening (APV) gemeente Enschede 2009