Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 trekt de burgemeester de vergunning in, indien:

  1. aannemelijk is, dat een leidinggevende van de inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en veiligheid of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

  2. een leidinggevende van de inrichting toestaat dan wel gedoogt, dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd;

  3. zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde en veiligheid of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

  4. is gehandeld in strijd met artikel 2:92, vierde lid of artikel 2.93;

  5. indien de bedrijfsuitoefening van de inrichting voor een periode van langer dan 3 maanden is of wordt onderbroken;

  6. indien niet langer wordt voldaan aan het bepaalde in of krachtens deze afdeling.