1. Het is verboden in door het college aangewezen gedeelten van de gemeente een metaaldetector of een ander voorwerp dat kan dienen tot het opsporen van metalen, te vervoeren of bij zich te hebben, dan wel in die gedeelten van de gemeente een voorwerp dat kan dienen tot het graven in de grond, te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet, indien de in dat lid bedoelde voorwerpen niet bestemd of gebruikt zijn voor het opsporen, opgraven of uit de grond verwijderen van explosief materiaal.

  3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt eveneens niet voor diegene aan wie het college een ontheffing heeft verleend als bedoeld in artikel 2.23.1, lid 2, binnen de grenzen van tijd en plaats zoals in die ontheffing zijn aangegeven.

  4. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.