Algemene Plaatselijke Verordening De Fryske Marren BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Paragraaf Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden
Paragraaf Afdeling 2. Betoging
Paragraaf Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken
Paragraaf Afdeling 4. Vertoningen e.d. op de weg
Paragraaf Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Paragraaf Afdeling 7. Evenementen
Paragraaf Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen
Paragraaf Afdeling 8A. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet
Paragraaf Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Paragraaf Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden
Paragraaf Afdeling 10A. Speelautomaathallen
Paragraaf Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Paragraaf Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Paragraaf Afdeling 13. Vuurwerk
Paragraaf Afdeling 14. Drugsoverlast
Paragraaf Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden, cameratoezicht op openbare plaatsen, gebiedsontzeggingen en woonoverlast
Paragraaf Afdeling 16. Bepalingen ter bestrijding van ondermijnende criminaliteit
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Paragraaf Afdeling 1. Begripsbepalingen
Paragraaf Afdeling 2. Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijk
Paragraaf Afdeling 3. Beslistermijn: weigeringsgronden
Paragraaf Afdeling 4. Beëindiging exploitatie; wijziging beheer
Paragraaf Afdeling 5. Overgangsbepaling
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

Paragraaf

Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg

Artikel 2:10

Voorwerpen op of aan de weg

  1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan de weg of weggedeelten anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  2. Het verbod geldt niet voor:

    1. Evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

    2. terrassen als bedoeld in artikel 2:31a;

    3. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;

    4. uitstallingen van winkelwaren maximaal 1 meter, gemeten uit de gevel van de winkel;

    5. het uitsteken van vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien deze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen;

    6. zonneschermen, mits deze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt;

    7. spandoeken voor speciale landelijke of plaatselijke niet commerciële acties;

    8. andere door het bevoegd bestuursorgaan aangewezen categorieën van gevallen;

  3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor evenementenborden, behorende bij evenementen die plaatsvinden binnen de gemeente, op de door het college aangewezen gebieden, indien wordt voldaan aan de daarbij gestelde regels.

  4. Het verbod geldt tevens niet voor voorwerpen door middel waarvan gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet, tenzij deze door hun omvang, vorm, constructie of bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar kunnen veroorzaken voor de bruikbaarheid of het doelmatig of veilig gebruik daarvan of een belemmering kunnen vormen voor het doelmatig beheer of onderhoud van de weg.

  5. Het verbod geldt niet voor het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak.

  6. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

  7. Op de aanvraag om een vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:11

Het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een (omgevings)vergunning (van het bevoegde bestuursorgaan) een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken (werkzaamheden) worden verricht.

  3. Het college kan nadere regels stellen omtrent het aanleggen, beschadigen en/of veranderen van een weg.

  4. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet, of de gemeentelijke verordening kabels en leidingen.

Artikel 2:12 Het maken, veranderen van een uitrit

  1. Het is verboden een uitrit te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitrit naar de weg indien:

    1. degene die voornemens is een uitrit te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitrit naar de weg daarvan niet van tevoren melding heeft gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitrit en een foto van de bestaande situatie; of

    2. het college het maken of veranderen van de uitrit heeft verboden.

  2. Het college kan het maken of veranderen van de uitrit verbieden indien:

    1. daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; of

    2. dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; of

    3. het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

    4. er sprake is van een uitrit van een perceel dat al door een andere uitrit wordt ontsloten; of

    5. er te veel inbreuk wordt gemaakt op het uiterlijk aanzien van de omgeving.

  3. Het college kan nadere regels stellen omtrent het maken en/of veranderen van een uitrit.

  4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening De Fryske Marren