1. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde of de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen kan worden beboet met een bestuurlijke boete: 2:18, 2:23, 2:26, 2:28, 2:29, 2:31a, 2:41, 2:44A, 2:44b, 2:72, 2:73, 2:73a, 2:80, 2:81, 4:9a, 4:10b, 4:14a, 5:28, 5:29, 5:31a, 5:32a, 5:36.

  2. Bij overtreding van een voorschrift als genoemd in de bijlage bij dit artikel, is de hoogte van de bestuurlijke boete gelijk aan het bedrag dat in de bijlage is vermeld bij het desbetreffende voorschrift.

  3. De op te leggen bestuurlijke boete wordt verhoogd met 100% van het boetebedrag, indien binnen een tijdvak van drie jaar voorafgaand aan de dag van constatering van de overtreding een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, is geconstateerd en de bestuurlijke boete voor de eerdere overtreding onherroepelijk is geworden.

  4. Indien het boetebedrag bedoeld in het tweede of derde lid, hoger is dan het wettelijk maximum boetebedrag bedoeld in artikel 154b, zesde lid, van de Gemeentewet, geldt het wettelijk maximum boetebedrag.

  5. In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio`s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio`s.