Opiumwet

Inhoud

Artikel 9 (Inbeslagname- en fouilleringsbevoegdheid)

Actueel
Je bekijkt de huidige officiële versie van 09-07-2026.
  1. De opsporingsambtenaren, bedoeld in artikel 8k, hebben, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, toegang:

    1. tot de vervoermiddelen, met inbegrip van woongedeelten, waarvan hun bekend is, of waarvan redelijkerwijze door hen kan worden vermoed, dat daarmede ingevoerd of vervoerd worden of dat daarin, daarop of daaraan bewaard worden of aanwezig zijn middelen als bedoeld in lijst I of II of substanties die deel uitmaken van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of de preparaten daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid;

    2. tot de plaatsen, waar een overtreding van deze wet gepleegd wordt of waar redelijkerwijze vermoed kan worden, dat zodanige overtreding gepleegd wordt.

  2. Zij zijn bevoegd een persoon, verdacht van een bij deze wet als misdrijf strafbaar gesteld feit, bij het bestaan van ernstige bezwaren tegen deze, aan de kleding te onderzoeken.

  3. Zij zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.

  4. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie voor wie de verdachte wordt geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden is bevoegd een persoon die zojuist binnen het grondgebied van Nederland is binnengekomen of die op het punt staat dit grondgebied te verlaten, en die is aangehouden terzake van een bij deze wet als misdrijf strafbaar gesteld feit, een vordering te geven tot medewerking aan een urineonderzoek, gericht op het aantonen van de aanwezigheid in het lichaam van middelen als bedoeld in lijst I of II of substanties die deel uitmaken van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of de preparaten daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid.

  5. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is bevoegd desgevraagd met gebruikmaking van de door landbouwers op grond van de artikelen 24 en 25 van de Landbouwwet verstrekte informatie over de toestand van de door hen beteelde percelen en de naam van het gewas waarmee het perceel zal worden beteeld, gegevens waaronder persoonsgegevens te verstrekken met betrekking tot hennepteelt welke is aangewezen krachtens artikel 3c aan de opsporingsambtenaren, bedoeld in de artikelen 141 en 142, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het Wetboek van Strafvordering, ten behoeve van de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten.

Annotaties

Publiek
“Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.”
Deze kan bij de opiumwet ook gericht aan de verdachte. Anders dan in artikel 96a, lid 2 Sv is niet bepaald dat dit bevel niet aan een verdachte wordt gegeven. (Is jurisprudentie over: ECLI:NL:HR:2001:AB2066).
Publiek
“toegang”
De opiumwet geeft NOOIT de bevoegdheid om plaatsen te doorzoeken, wel om ze te betreden. Daartoe dient terug te worden gestapt naar het Wetboek van Strafvordering.
Publiek
“persoon”
Feitelijk dus een verdachte van een misdrijf uit deze wet tegen wie ook ernstige bezwaren bestaan, gelet op de rest van deze volzin.
Publiek
“te allen tijde”
Art. 9 lid 3 Ow staat opsporingsambtenaren toe te allen tijde daarvoor vatbare voorwerpen in beslag te nemen. Het gaat hier om een algemene bevoegdheid die niet is gebonden aan nadere vereisten als staande houden of aanhouden, zoals bijvoorbeeld voor de inbeslagnemingsbevoegdheid van artikel 94 Sv wel het geval is: artikel 95 Sv. Welke voorwerpen ingevolge art. 9 lid 3 Ow voor inbeslagneming vatbaar zijn bepaalt artikel 94 Sv. Ten behoeve van die inbeslagneming kunnen opsporingsambtenaren een bevel tot uitlevering geven. Algemeen wordt aangenomen dat voor aanwending van de in dit lid gegeven bevoegdheden vereist is dat er een redelijk vermoeden van een strafbaar feit bestaat. Bron: ECLI:NL:HR:2016:1200
09-07-2026 Huidig 28-01-2026 Historisch 01-01-2026 Historisch 01-07-2025 Historisch 16-04-2024 Historisch 12-09-2023 Historisch 01-01-2023 Historisch 01-07-2022 Historisch 28-10-2021 Historisch 01-07-2021 Historisch 17-11-2020 Historisch 01-01-2020 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-07-2025.

Tekst van deze versie

  1. De opsporingsambtenaren, bedoeld in artikel 8k, hebben, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, toegang:

    1. tot de vervoermiddelen, met inbegrip van woongedeelten, waarvan hun bekend is, of waarvan redelijkerwijze door hen kan worden vermoed, dat daarmede ingevoerd of vervoerd worden of dat daarin, daarop of daaraan bewaard worden of aanwezig zijn middelen als bedoeld in lijst I of II of substanties die deel uitmaken van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of de preparaten daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid;

    2. tot de plaatsen, waar een overtreding van deze wet gepleegd wordt of waar redelijkerwijze vermoed kan worden, dat zodanige overtreding gepleegd wordt.

  2. Zij zijn bevoegd een persoon, verdacht van een bij deze wet als misdrijf strafbaar gesteld feit, bij het bestaan van ernstige bezwaren tegen deze, aan de kleding te onderzoeken.

  3. Zij zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.

  4. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie voor wie de verdachte wordt geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden is bevoegd een persoon die zojuist binnen het grondgebied van Nederland is binnengekomen of die op het punt staat dit grondgebied te verlaten, en die is aangehouden terzake van een bij deze wet als misdrijf strafbaar gesteld feit, een vordering te geven tot medewerking aan een urineonderzoek, gericht op het aantonen van de aanwezigheid in het lichaam van middelen als bedoeld in lijst I of II of substanties die deel uitmaken van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of de preparaten daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid.

  5. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is bevoegd desgevraagd met gebruikmaking van de door landbouwers op grond van de artikelen 24 en 25 van de Landbouwwet verstrekte informatie over de toestand van de door hen beteelde percelen en de naam van het gewas waarmee het perceel zal worden beteeld, gegevens waaronder persoonsgegevens te verstrekken met betrekking tot hennepteelt welke is aangewezen krachtens artikel 3c aan de opsporingsambtenaren, bedoeld in de artikelen 141 en 142, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het Wetboek van Strafvordering, ten behoeve van de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten.

12 verwijzing(en)
Hoge Raad | 14-06-2016 | 21-03-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 10-06-2014 | 22-03-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 07-01-2014 | 21-03-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 12-11-2013 | 21-03-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 23-04-2013 | 21-03-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 04-01-2011 | 26-02-2026
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 21-12-2010 | 21-03-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 13-07-2010 | 21-03-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 12-01-2010 | 22-03-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 05-01-2010 | 22-03-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 30-06-2009 | 22-03-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 11-03-2008 | 22-03-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Opiumwet