-
Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.
-
Degene die op een openbare plaats:
aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of
zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;
is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
-
Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
-
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.
-
Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Algemene plaatselijke verordening Westland 2019 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).
Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Paragraaf Afdeling 1: Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Paragraaf Afdeling 2: Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Paragraaf Afdeling 3: Evenementen
Paragraaf Afdeling 4: Toezicht op openbare inrichtingen
Paragraaf Afdeling 5: Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden in de Alcoholwet
Paragraaf Afdeling 6: Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Paragraaf Afdeling 7: Toezicht op speelgelegenheden
Paragraaf Afdeling 8: Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
- Artikel 2:41
- Artikel 2:42
- Artikel 2:43
- Artikel 2:44
- Artikel 2:45
- Artikel 2:46
- Artikel 2:47
- Artikel 2:47a
- Artikel 2:48
- Artikel 2:48a
- Artikel 2:49
- Artikel 2:50
- Artikel 2:50a
- Artikel 2:50b
- Artikel 2:50c
- Artikel 2:51
- Artikel 2:52
- Artikel 2:53
- Artikel 2:54
- Artikel 2:55
- Artikel 2:56
- Artikel 2:57
- Artikel 2:58
- Artikel 2:59
- Artikel 2:60
- Artikel 2:61
- Artikel 2:62
- Artikel 2:63
- Artikel 2:64
- Artikel 2:65
Paragraaf Afdeling 9: Bestrijding van heling van goederen
Paragraaf Afdeling 10: Consumentenvuurwerk
Paragraaf Afdeling 11: Drugsoverlast
Paragraaf Afdeling 12: Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Paragraaf Afdeling 1: Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting
Paragraaf Afdeling 2: Bodem,- weg- en milieuverontreiniging
Paragraaf Afdeling 3: Het bewaren van houtopstanden
Paragraaf Afdeling 4: Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast
Paragraaf Afdeling 5: Kamperen buiten kampeerterreinen
Paragraaf Afdeling 6: Ballonnen
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente Westland
Paragraaf Afdeling 1: Parkeerexcessen
Paragraaf Afdeling 2: Collecteren
Paragraaf Afdeling 3: Venten
Paragraaf Afdeling 4: Standplaatsen
Paragraaf Afdeling 5: Snuffelmarkten
Paragraaf Afdeling 6: Openbaar water en waterstaatswerken
Paragraaf Afdeling 7: Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden
Paragraaf Afdeling 8: Vuurverbod
Paragraaf Afdeling 9: Asverstrooiing van as
Paragraaf Afdeling 12: Bijzondere bepalingen omtrent het Noordzeestrand
Paragraaf Afdeling 13: Zoeken van blindgangers, munitie, explosieven en wapens
Paragraaf Afdeling 14: Maatregelen ter bescherming van eigendommen
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen
Hoofdstuk
Artikel 2:1a
Vermommingen bij samenscholing en ongeregeldheden
Het is verboden zich zonder redelijk doel gemaskerd, vermomd of op andere wijze onherkenbaar gemaakt te bevinden op een openbare plaats bij enig voorval waar wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of aanwezig te zijn bij een samenscholing.
Artikel 2:3
Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
-
Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 4 x 24 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
-
De kennisgeving bevat:
naam en adres van degene die de betoging houdt;
het doel van de betoging;
de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
de plaats en, voor zover van toepassing, de route;
voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en
maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
-
Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.
-
De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.
Artikel 2:10
Voorwerpen op of aan de weg
-
Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik:
schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of
niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.
-
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op:
evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18;
publieke taken die in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke worden verricht.
overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning of ontheffing voor het gebruik van de openbare plaats is verleend.
-
Het verbod in het eerste lid geldt tevens niet voor de volgende voorwerpen mits wordt voldaan aan het bepaalde in de nadere regels als bedoeld in het vierde lid of als er een ontheffing is verleend als bedoeld in het vijfde lid en er uiterlijk vijf werkdagen voorafgaand aan het anders gebruiken van de weg of een weggedeelte dan de publieke functie ervan schriftelijk of digitaal een melding is gedaan:
chemische toiletten;
containers;
keten;
laadpalen ten behoeve van het opladen van elektrische voertuigen;
sandwich- en/of driehoeksreclameborden;
steigers;
terrassen;
nader door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen.
-
Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor de categorieën genoemd in het derde lid.
-
Wanneer niet wordt voldaan aan de nadere regels als bedoeld in het vierde lid, kan het bevoegde bestuursorgaan ontheffing verlenen van het verbod.
-
Het verbod in het eerste lid van dit artikel is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:11
(Omgevings-)vergunning voor aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
-
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
-
De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
-
Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Artikel 2:12
Maken, veranderen van een uitweg
-
Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
-
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:
ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;
als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of
als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
-
Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
Artikel 2:15
Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert.
Artikel 2:16
Openen straatkolken en dergelijke
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2:18
Rookverbod in bossen en natuurterreinen
-
Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:
te roken gedurende een door het college aangewezen periode;
voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
-
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht.
-
Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Artikel 2:24
Definities
-
In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
bioscoop- en theatervoorstellingen;
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid aanhef en onder g van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening;
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
een activiteit als bedoeld 2:39 van deze verordening;
sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f en een wedstrijd op of aan de weg voor zover in het geregelde wordt voorzien door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.
-
Onder evenement wordt mede verstaan:
een herdenkingsplechtigheid;
een braderie;
een optocht op een openbare plaats, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening;
een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op een openbare plaats.
een straatfeest of buurtbarbecue;
een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of gala’s.
Artikel 2:25
Evenementenvergunning
-
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
-
In afwijking van het tweede lid van artikel 1:8 kan de burgemeester besluiten een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid niet te behandelen als deze minder dan acht weken vóór het tijdstip waarop het evenement plaatsvindt wordt ingediend.
-
Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
-
Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien:
het ten hoogste één dag duurt;
het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen van 16 jaar of ouder;
het evenement tussen 07.00 en 24.00 uur plaats vindt op maandag tot en met zaterdag;
het niet plaatsvindt op een erkende, nationale feest- of gedenkdag;
het geen of zeer geringe beperking van het gebruik van de openbare weg veroorzaakt en het niet noodzakelijk is om meerdere verkeersmaatregelen te treffen;
slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 m2 per object;
er een organisator is;
de organisator minstens 15 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.
-
De burgemeester kan binnen 10 dagen na ontvangst van de melding als bedoeld in lid 5, sub h, besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het vijfde lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
-
De burgemeester kan middels nadere regels bepalen dat, onder in deze nadere regels genoemde voorschriften, voor specifieke evenementen en bepaalde categorieën evenementen het verbod van het eerste lid niet geldt.
-
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:25a
Aanvullende eisen voor grote evenementen
-
Onder 'groot evenement' wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan:
een evenement waar op enig moment meer dan 600 bezoekers tegelijkertijd aanwezig zijn, of;
een evenement of een gedeelte daarvan dat wordt georganiseerd in een aaneengesloten periode van meer dan twee achtereenvolgende dagen, of;
een evenement dat naar het oordeel van de burgemeester ernstige gevolgen kan hebben voor de openbare orde.
-
Een organisator van een evenement dient, voor 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het evenement plaatsvindt, bij de burgemeester een principeverzoek in.
-
De burgemeester stelt jaarlijks op uiterlijk 1 december een evenementenkalender voor het daaropvolgende jaar vast. In deze kalender zijn de evenementen opgenomen voor zover daartoe op grond van het tweede lid een principeverzoek is ingediend.
-
In afwijking van het tweede lid van artikel 1:8 kan de burgemeester besluiten een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid niet te behandelen als deze minder dan twaalf weken vóór het tijdstip waarop het evenement plaatsvindt wordt ingediend.
-
Een vergunning voor een evenement als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd in het geval deze niet is opgenomen in de evenementenkalender als bedoeld in het derde lid.
-
Met betrekking tot een niet-voorzienbaar evenement kan de burgemeester in afwijking van het vijfde lid vergunning verlenen zonder dat dit evenement in de evenementenkalender als bedoeld in het derde lid is opgenomen.
Artikel 2:27
Definities
-
In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, zalencentrum voor zover deze wordt verhuurd voor feesten en partijen, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt.
-
Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.
-
In deze afdeling wordt onder leidinggevende/exploitant verstaan:
Leidinggevende: dat wat daar onder wordt verstaan in de Alcoholwet.
Exploitant: natuurlijk persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend.
Artikel 2:28
Exploitatie openbare inrichting
-
Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
-
De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.
-
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
-
Voor het verkrijgen van een vergunning moet de exploitant en leidinggevende(n) voldoen aan de volgende eisen:
zij mogen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn;
zij moeten de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt.
-
Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:
winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;
zorginstelling;
museum; of
bedrijfskantine of –restaurant.
-
Voorts geldt het eerste lid niet voor door de burgemeester aan te wijzen categorieën van openbare inrichtingen, al dan niet beperkt tot een bepaald gebied, dan wel bepaalde termijn.
-
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:29
Sluitingstijden
-
Openbare inrichtingen zijn gesloten van maandag tot en met zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur.
-
Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.
-
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel is een openbare inrichting
van een paracommerciële rechtspersoon die zich richt op activiteiten van sportieve aard gesloten van maandag tot en met zondag tussen 24.00 uur en 06.00 uur;
van een paracommerciële rechtspersoon, die zich richt op activiteiten van recreatieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard gesloten tussen 02.00 uur en 06.00 uur.
-
Het is de exploitant van een openbare inrichting, waar tegen vergoeding, al dan niet door middel van een automaat, eetwaren of alcoholvrije dranken voor gebruik ter plaatse worden verstrekt, verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers te laten verblijven tussen 02:00 uur en 06:00 uur.
-
Het is verboden een terras behorende bij de openbare inrichting geopend te hebben tussen tussen 01.00 uur en 06.00 uur.
-
De burgemeester kan door middel van een voorschrift, verbonden aan een vergunning ex artikel 2:28, andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke inrichting of een daartoe behorend terras.
-
De burgemeester kan tien keer per kalenderjaar ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod, met dien verstande dat voor openbare inrichtingen die gevestigd op het Noordzeestrand er maximaal 6 keer per kalenderjaar ontheffing kan worden verleend. De ontheffing kan worden verleend tot 04.00 uur.
-
Het eerste, derde, vierde en zevende lid zijn niet van toepassing in die situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.
-
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:30
Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting
-
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
-
Het eerste lid is niet van toepassing in situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
Artikel 2:31
Verboden gedragingen
Het is verboden in een openbare inrichting:
de orde te verstoren;
zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de openbare inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30.
op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.
Artikel 2:32
Handel in openbare inrichtingen
De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Artikel 2:33
Het college als bevoegd bestuursorgaan
Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:31 op als bevoegd bestuursorgaan.
Artikel 2:34a
Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder:
alcoholhoudende drank;
horecabedrijf;
horecalokaliteit;
inrichting;
paracommerciële rechtspersoon
sterke drank;
slijtersbedrijf, en;
zwak-alcoholhoudende drank:
dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.
Artikel 2:34b
Regulering paracommerciële rechtspersonen
-
Een paracommerciële rechtspersoon, die zich voornamelijk richt op activiteiten van sportieve aard, kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op maandag tot en met zondag vanaf 12.00 tot 24.00 uur;
-
Overige paracommerciële rechtspersonen kunnen alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken van maandag tot en met zondag vanaf 12.00 tot 02.00 uur;
-
Een paracommerciële rechtspersoon kan alcoholhoudende drank verstrekken tijdens per jaar ten hoogste:
vier bijeenkomsten van persoonlijke aard;
vier bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.
-
Een paracommerciële rechtspersoon doet uiterlijk vijf werkdagen voor een bijeenkomst als bedoeld in het derde lid, onder a en b, hiervan melding aan de burgemeester.
Artikel 2:34c
Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven
-
Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank te verstrekken in inrichtingen van sportieve aard.
-
De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet
voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.
Artikel 2:34f
Verbod op “happy hours”
Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd.
Artikel 2:34g
Proeverijen in slijtlokaliteiten
-
Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit.
-
De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit bij of op grond van de Winkeltijdenwet regulier is opengesteld.
Artikel 2:35
Definitie
In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte, waarin in de uitoefening van beroep of bedrijf aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.
Artikel 2:38
Verschaffing gegevens nachtregister
Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijke leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Artikel 2:38a
Definities
-
In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
-
In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.
Artikel 2:39
Speelgelegenheden
-
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.
-
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen.
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:
naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of
de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan.
-
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:40
Kansspelautomaten
-
In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.
-
In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
Artikel 2:41
Betreden gesloten woning of lokaal
-
Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
-
Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
-
Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning, in het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk zijn.
Artikel 2:42
Plakken en kladden
-
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
-
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
-
Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
-
De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
-
Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
-
Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
-
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
Artikel 2:44
Vervoer inbrekerswerktuigen
-
In dit artikel wordt onder inbrekerswerktuigen in elk geval verstaan: lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een woning, vaartuig, voertuig, woonschip, gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken, ontdekking te bemoeilijken, wederrechtelijke verkrijging te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
-
Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
-
Het is verboden op een openbare plaats, in de nabijheid van een winkel, een tas of ander hulpmiddel dat er kennelijk toe is uitgerust om er winkeldiefstal mee te plegen of winkeldiefstal te vergemakkelijken door het buiten werking stellen en/of houden van detectie- of waarnemingsapparatuur, te vervoeren of bij zich te hebben.
-
Het verbod is niet van toepassing als wordt aangetoond dat de genoemde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de in het eerste lid bedoelde handelingen.
Artikel 2:47
Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
-
Het is verboden op een openbare plaats:
te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.
-
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:47a
Messen en andere voorwerpen als wapen
-
Het is verboden op een openbare plaats of in voor publiek toegankelijke openstaande gebouwen messen of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben.
-
Het verbod geldt niet met betrekking tot voorwerpen die zodanig zijn ingepakt, dat zij niet voor dadelijk gebruik gereed zijn.
-
Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het onderwerp daarvan wordt voorzien bij of krachtens de Wet wapens en munitie.
Artikel 2:48
Verboden drankgebruik
-
Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
-
Het verbod is niet van toepassing op:
een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
Artikel 2:49
Verboden gedrag bij of in gebouwen
-
Het is verboden zonder redelijk doel:
zich in een portiek of poort op te houden;
in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
-
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.
Artikel 2:50
Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten
Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.
Artikel 2:50a
Verstoring van de openbare orde
-
Onverminderd de artikelen 424 en 426 bis van het Wetboek van Strafrecht is het verboden op een openbare plaats of in een voor het publiek toegankelijk bouwwerk op enigerlei wijze de orde te verstoren, personen lastig te vallen of te vechten.
-
Het is verboden op een in het eerste lid bedoelde plaats een voorwerp of stof, kennelijk meegebracht om de orde te verstoren, bij zich te hebben.
Artikel 2:50c
Slapen op of aan de weg
-
Het is verboden de weg als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats of het openbaar water een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden.
-
Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.
-
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op vaartuigen die een ligplaats innemen op het door het college aangewezen gedeelten van openbaar water als bedoeld in artikel 5:25, eerste lid.
-
Op aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:53
Bespieden van personen
-
Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een gebouw, woonwagen of vaartuigen op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagens of dit vaartuig bevindende persoon, te bespieden.
-
Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch of elektronisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen of vaartuig bevindende persoon te bespieden.
Artikel 2:57
Loslopende honden
-
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;
buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd;
op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
-
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
-
Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 2:58
Verontreiniging door dieren
-
Degene die zich met een dier op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van dat dier onmiddellijk worden verwijderd.
-
Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
-
Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
Artikel 2:59
Gevaarlijke honden
-
Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
-
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
-
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:
vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en
zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
-
Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:60
Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
-
Het is verboden op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:
aanwezig te hebben;
aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;
aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven.
-
Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2:62
Loslopend vee
De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Artikel 2:65
Bedelarij
Het is verboden te bedelen om geld of andere zaken op een openbare plaats die het college aanwijst ter voorkoming of beëindiging van overlast.
Artikel 2:66
Definitie
In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:67
Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
-
De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:
het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
de datum van verkoop of overdracht van het goed;
een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;
de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en
de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
-
De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.
-
Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:68
Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:
de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:
dat hij het beroep van handelaar uitoefent en vermeld daarbij ook zijn woonadres
en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;
van een verandering van de onder 1 bedoelde adressen;
als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;
dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan.
de burgemeester of een daartoe door de burgemeester aangewezen ambtenaar op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;
aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;
een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste zeven dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
Artikel 2:71
Definitie
In deze afdeling wordt verstaan onder vuurwerk:
consumentenvuurwerk: onder consumentenvuurwerk wordt verstaan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik;
carbidschieten: het in een (melk)bus, container of opslagvat of ander daarmee gelijk te stellen voorwerp op explosieve wijze verbranden van acetyleengas, afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.
Artikel 2:72
Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen
-
Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college.
-
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing
Artikel 2:73
Gebruik van consumentenvuurwerk en carbidschieten tijdens de jaarwisseling
-
Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college ter voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
-
Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
-
Het is verboden te carbidschieten.
-
De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1o, van het Wetboek van Strafrecht.
-
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste en derde lid gestelde verbod.
Artikel 2:74
Drugshandel op straat
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Artikel 2:74a
Openlijk drugsgebruik
Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
Artikel 2:75
Bestuurlijke ophouding
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen artikel 2:1 (Samenscholingsverbod), 2:10 (Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg), 2:11 ((Omgevings-) Vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg), 2:16 (Openen straatkolken en dergelijke), 2:25 (Evenementenvergunning), 2:47 (Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen), 2:48 (Verboden drankgebruik), 2:49 (Verboden gedrag bij of in gebouwen), 2:50 (Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten),
2:73 (Gebruik van consumentenvuurwerk en carbidschieten tijdens de jaarwisseling) of 5:34 (Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken) van de Algemene plaatselijke verordening Westland 2019 groepsgewijs niet naleven.
Artikel 2:76
Veiligheidsrisicogebieden
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een openbare plaats met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
Artikel 2:77
Cameratoezicht op openbare plaatsen
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
Artikel 2:78
Gebiedsontzegging
-
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste zeven dagen in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.
-
Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die binnen zes maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.
-
De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod.
-
Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.
Artikel 2:79
Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:
geluid- of geurhinder;
hinder van dieren;
hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;
overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;
intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
Artikel 2:80
Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen
-
De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven in bepaald gebied, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten.
-
Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf.
-
Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
-
Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven.
-
Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven.
-
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.
Artikel 2:81
Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
-
In dit artikel wordt verstaan onder:
exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;
bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
-
De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten of een combinatie daarvan aanwijzen waarvan in of rondom dat gebouw, dat gebied of ten gevolge van die bedrijfsmatige activiteit naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel aannemelijk is dat deze onder druk kan komen te staan.
-
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen dat valt onder het aanwijzingsbesluit als bedoeld in het tweede lid.
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:
in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;
indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
de exploitant of beheerder(s) in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
indien niet voldaan is aan de bij of krachtens lid vijf en zes gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;
indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
indien de vestiging of de exploitatie van het bedrijf in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer.
-
De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:
de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder;
het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
een uittreksel van de inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel voor de bedrijfsmatige activiteiten waarvoor vergunning wordt aangevraagd;
indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;
een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;
een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.
-
Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag, kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien:
door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of
door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of
de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of
de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of
de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of
er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of
er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of
de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd danwel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of
de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer.
-
Indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen.
-
Het is een ieder verboden een overeenkomstig het achtste lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.
-
De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.
-
De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens binnen vijf werkdagen aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet.
-
Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.
-
De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden.
-
Exploitanten die op het moment van inwerkingtreding van een aanwijzingsbesluit, als bedoeld in het tweede lid, onder de werking van dit besluit vallen, dienen binnen drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit te beschikken over de vergunning als bedoeld in het derde lid. Nieuwe exploitanten dienen eerst over een vergunning te beschikken alvorens zij hun bedrijf kunnen exploiteren.
-
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.