1. Het is verboden zich met een vaartuig op te houden of te bewegen binnen een afstand van 150 meter van de laagwaterlijn.

  2. Het college kan middels nadere regels bepalen dat het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt voor delen van de Noordzee dan wel bepaalde vaartuigen.

  3. De in en krachtens dit artikel gestelde voorschriften of beperkingen dienen ter bescherming van de veiligheid van zwemmers en de gebruikers van vaartuigen.

  4. De in en krachtens dit artikel gestelde verboden gelden niet met betrekking tot vaartuigen die worden gebruikt door of in opdracht van openbare lichamen, de Koninklijke Nederlandse Reddingsmaatschappij en de ’s-Gravenzandse Vrijwillige Reddingsbrigade en de Monsterse Reddingsbrigade.