1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:

    1. in een door de burgemeester op grond van artikel 2:34h, tweede lid, aangewezen gebouw voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten; of

    2. Als de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van artikel 2:34h, derde lid, aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.

  2. De aanvraag om een vergunning geschiedt door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier.

  3. De burgemeester kan een aanvraag om een vergunning weigeren:

    1. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

    2. indien de beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    3. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn;

    4. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    5. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan;

    6. indien de beheerder van het bedrijf binnen drie jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.

  4. Aan de vergunning wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het bedrijf alleen geopend is voor bezoekers als een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is.

  5. In afwijking van het eerste lid geldt het verbod voor de beheerder die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties:

    1. pas drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit; of

    2. met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.

  6. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op aanvraag om de vergunning.