1. Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. De exploitatievergunning wordt verleend aan de exploitant en bevat een aanhangsel waarop de namen van de leidinggevenden zijn vermeld.

  3. Het is verboden de aard van het het horecabedrijf te wijzigen zonder daartoe strekkende vergunning.

  4. De burgemeester kan bepalen dat het gestelde in het eerste lid niet geldt voor één of meer in dat besluit aangeduide soorten horecabedrijven in de gehele gemeente dan wel in één of meer daarin aangewezen delen van de gemeente.

  5. De exploitatie van een horecabedrijf als bedoeld in het vierde lid geschiedt zodanig dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid of het milieu niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

  6. Indien een horecabedrijf, als bedoeld in het vierde lid, wordt geëxploiteerd op een wijze die strijdig is met het bepaalde in het vijfde lid kan de burgemeester besluiten dat voor dat betreffende horecabedrijf, in afwijking van het gestelde in lid 4 alsnog het bepaalde in lid 1 van toepassing is.

  7. Horecabedrijven waarvoor op grond van het vierde lid het gestelde in het eerste lid niet geldt, blijven wel, voor zover van toepassing, aan de bepalingen van deze verordening en de Alcoholverordening gebonden;

  8. De exploitatievergunning vervalt wanneer:

    1. de exploitatie van het horecabedrijf feitelijk is beëindigd of gedeeltelijk overgedragen;

    2. zes maanden zijn verlopen na het onherroepelijk worden van de exploitatievergunning, zonder dat van deze exploitatievergunning gebruik is gemaakt;

    3. gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen gebruik is gemaakt van de exploitatievergunning.