1. De burgemeester trekt de exploitatievergunning in, indien:

    1. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, waardoor op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;

    2. niet langer wordt voldaan aan de in artikel 2:29 lid 6 gestelde eisen;

    3. voor het horecabedrijf een vergunning op grond van de Alcoholwet is vereist en deze is ingetrokken;

    4. er een persoon leidinggevende is geworden en deze niet op grond van artikel 2:31A is gemeld;

    5. zich in of vanuit het betrokken horecabedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de exploitatievergunning gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid;

    6. de openbare orde, veiligheid of het woon - en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf op ontoelaatbare wijze wordt verstoord door de aanwezigheid van dat horecabedrijf.

    7. de aard van het horecabedrijf is gewijzigd zonder daartoe strekkende vergunning als bedoeld in artikel 2:28 lid 2;

  2. De burgemeester kan een exploitatievergunning intrekken, indien:

    1. gehandeld wordt in strijd met enig bij of krachtens deze verordening gegeven voorschrift of beperking;

    2. de omstandigheden of inzichten zodanig zijn gewijzigd, dat de exploitatievergunning, indien zij thans was aangevraagd, zou zijn geweigerd.

    3. de exploitant daarom verzoekt;

    4. een vergunninghouder in een periode van twee jaar tenminste driemaal op grond van artikel 2:31A om bijschrijving van een persoon als leidinggevende op het aanhangsel bij de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel tenminste driemaal heeft geweigerd op grond van artikel 2:31A, zesde lid.