De burgemeester kan een vergunning voor een speelautomatenhal intrekken indien:

  1. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming is;

  2. de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de vergunning voor een speelautomatenhal is verleend, zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 2:39i, tweede lid, onder a;

  3. aannemelijk is dat de leidinggevende betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de speelautomatenhal, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de speelautomatenhal;

  4. de leidinggevende strafbare feiten pleegt in de speelautomatenhal, dan wel toestaat of gedoogt dat in de speelautomatenhal strafbare feiten worden gepleegd;

  5. zich in of vanuit de speelautomatenhal anderszins feiten of omstandigheden hebben voorgedaan, die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de speelautomatenhal gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de speelautomatenhal;

  6. gedurende een periode van tenminste zes maanden geen gebruik van de vergunning wordt gemaakt;

  7. in strijd met deze verordening of met de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen wordt gehandeld;

  8. de bepalingen bij of krachtens titel VA, paragraaf 2, van de wet zijn overtreden.