1. De burgemeester trekt de vergunning in, indien:

    1. ter verkrijging van de vergunning, gegevens zijn verstrekt die zodanig onjuist of anders blijken te zijn, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;

    2. door de wijze van exploitatie het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;

    3. zich in de betrokken openbare inrichting feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de ernstige vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde;

    4. niet langer wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in artikel 2:28d;

    5. binnen een termijn van zes maanden na de dagtekening van de vergunning geen gebruik is gemaakt van de vergunning, anders dan wegens overmacht;

    6. de exploitatie van de openbare inrichting voor een periode langer dan een jaar is of wordt onderbroken, anders dan wegens overmacht;

    7. de vergunninghouder c.q. houders hierom verzoekt c.q. verzoeken.

    8. er aanwijzingen zijn, dat in de openbare inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.

  2. De burgemeester kan de vergunning intrekken, indien:

    1. naar zijn oordeel gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

    2. er sprake is van een wijziging in de aard van de openbare inrichting;

    3. naar zijn oordeel gehandeld wordt in strijd met de bepalingen van deze afdeling;

    4. op grond van de verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning moet worden aangenomen dat intrekking wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist.

  3. Een vergunning kan tevens worden geweigerd/ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Voordat hier toepassing aan wordt gegeven kan het bevoegde gezag het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.