1. de wet: de Wet op de kansspelen;

  2. Speelautomatenbesluit: KB van 23 mei 2000, Stbl 224, houdende regels ter uitvoering van titel VA van de wet, zoals gewijzigd bij besluit van 14 september 2001, Stb. 2001, 415

  3. speelautomaat: een toestel als bedoeld in artikel 30, onder a, van de wet;

  4. behendigheidsautomaat: een speelautomaat als bedoeld in artikel 30, onder b, van de wet;

  5. kansspelautomaat: een speelautomaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de wet;

  6. hoogdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de wet;

  7. laagdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de wet;

  8. speelautomatenhal: een inrichting als bedoeld in artikel 30c, lid 1, onder b, van de wet;

  9. speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren;

  10. leidinggevende: de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico een inrichting, zoals bedoeld in lid h of lid i, wordt geëxploiteerd;

  11. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een onderneming, waarin een inrichting, zoals bedoeld in lid h of i, wordt uitgeoefend;

  12. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van een inrichting, zoals bedoeld in lid h of i;

  13. vergunning: een vergunning voor het exploiteren van een speelautomatenhal in een inrichting, zoals bedoeld in lid h of voor het exploiteren van een speelgelegenheid in een inrichting zoals bedoeld in lid i;

  14. vergunninghouder: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon aan wie de vergunning, als bedoeld in artikel 2:39a of 2:39d van deze verordening is verleend.