1. De burgemeester kan de sluiting al dan niet voor een bepaalde termijn van de horeca-inrichting bevelen indien:

    1. de houder(s)/leidinggevende(n) in strijd handelt/handelen met het bepaalde in artikel 2:28, lid 1 van deze verordening;

    2. gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

    3. de exploitatie van de openbare inrichting op een zodanige wijze plaatsvindt dat het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed dan wel de vrees bestaat voor een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat. Tot dit bevel wordt, behoudens spoedeisende gevallen, niet overgegaan alvorens de ondernemer(s) schriftelijk is/zijn gewaarschuwd en in de gelegenheid is/zijn gesteld te worden gehoord;

    4. er aanwijzingen zijn, dat in het de openbare inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.

  2. De sluiting wordt geacht openbaar bekend te zijn, zodra een afschrift van het bevel tot sluiting op of nabij de toegang of toegangen van de openbare inrichting is aangebracht.

  3. Zolang het bevel tot sluiting van kracht is, is het verboden bezoekers tot de openbare inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven.

  4. Zolang het bevel tot sluiting van kracht is, is het verboden deze als bezoeker te betreden of daarin als bezoeker te verblijven.

  5. De sluiting kan op verzoek van belanghebbende(n) door de burgemeester worden opgeheven wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid zal plaatsvinden.