Algemene plaatselijke verordening gemeente Tytsjerksteradiel 2024 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Afdeling Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Maatregelen ter voorkoming overlast, gevaar, schade en ter bestrijding van ondermijnende criminaliteit
Afdeling Bestrijding van heling van goederen
Afdeling Consumentenvuurwerk
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Artikel 4:1

Definities

  1. inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet,, met dien verstande dat artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  2. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  3. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  4. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  5. geluidsgevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  6. geluidsgevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  7. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt

  8. Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 4:2

Aanwijzing collectieve festiviteiten

  1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 217a, 2.19, 219a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer geldt niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer van de 17 dorpen van de gemeente.

  4. Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. Als de precieze datum van een collectieve festiviteit nog niet bepaald is, wordt de festiviteit zonder datum bekend gemaakt. De datum wordt zo spoedig mogelijk bekend gemaakt.

  5. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  6. Het equivalente geluidsniveau LAeq bedraagt niet meer dan 70 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur en 65 dB(A) tussen 23.00 en 01.30 uur, gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter overdag en 5 meter in de avond.

  7. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 uiterlijk om 01:30 uur beëindigd.

  8. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, een half uur vóór de vastgestelde beëindigingstijd van de muziek teruggebracht naar de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit.

  9. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 4:3

Melding incidentele festiviteiten

  1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste 2 weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

  2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting tenminste 2 weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

  3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding.

  4. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

  5. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

  6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter, en maximaal 103 dB(A) gemeten ter plaatse van de geluidsbron.

  7. Voor incidentele festiviteiten die samenvallen met een vergund evenement en gehouden worden op het zelfde terrein als het vergunde evenement geldt in afwijking van het zesde lid het equivalente geluidsniveau LAeq dat is opgenomen in de vergunning voor dat evenement.

  8. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde en zevende lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  9. (vervallen).

  10. Het ongebruikt laten van een collectieve dag betekent niet dat het aantal individuele dagen evenredig toeneemt. Uitwisselen tussen collectieve dagen en individuele dagen is niet toegestaan.

  11. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 4:4

Verboden incidentele festiviteiten

Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen, indien:

  1. de melding daarvan niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:3 is gedaan;

  2. gehandeld wordt in afwijking van de gegevens die bij de melding als bedoeld in artikel 4:3 zijn verstrekt;

  3. de houder van de inrichting verzuimt te doen of na te laten hetgeen redelijkerwijs gevergd kan worden om overmatige hinder te voorkomen;

  4. de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft, wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze worden beïnvloed.

Artikel 4:5

Onversterkte muziek

  1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:

    1. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

    2. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;

    3. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder, zoals die wet en dat besluit luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

    4. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast;

  2. Tabel

  3. Voor de duur van 8 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.

  4. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is dit artikel van toepassing.

  5. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in artikelen 4:2 of artikel 4:3.

Artikel 4:6

Overige geluidhinder

  1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  3. Het verbod is niet van toepassing voor zover daarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:6a

Mosquito

  1. Onder mosquito wordt verstaan een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.

  2. In afwijking van artikel 4:6 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats.

  3. De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht.

  4. Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten.

  5. Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste 12 maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste 3 maanden verlengen.

Artikel 4:6b

Gebruik geluidsapparaat in de openlucht

Het is verboden zonder voorafgaande melding aan het college aan, op of boven de weg of openbaar water door middel van een geluidsapparaat een toespraak, gezang of muziek voor het publiek ten gehore te brengen.

Artikel 4:6c

(Geluid)hinder door dieren

Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt.

Artikel 4:6d

(Geluid)hinder door bromfietsen en dergelijke

Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder ontstaat.

Artikel 4:8

Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4:9

Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4:10

Definities

  1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    1. boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam;

    2. houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtwal, een grotere (lint)- begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoenen;

    3. hakhout: een of meer bomen of boomvormers die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;

    4. dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand, hieronder wordt ook verstaan het periodiek vellen van hakhout;

    5. knotten of kandelaberen: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud;

    6. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;

    7. particulieren: alle eigenaren van percelen niet zijnde van Rijkswaterstaat, provincie, gemeente, Prorail/NS-vastgoed, Wetterskip Fryslan;

    8. Stambomen: bomen die bestaan uit een stam met een natuurlijk gevormde of gekandelaberde of geknotte kroon;

    9. Leibomen: bomen die bestaan uit een stam en takken die in een bepaalde richting geleid worden;

    10. Gekandelaberde boom: een boom met een sterk ingenomen kroon waarbij doorgaans de takken van de natuurlijke kroon met 50% tot 80% ingekort;

    11. Geknotte kroon: een boom waarbij de natuurlijke kroon verwijderd is.

  2. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Artikel 4:11

Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegde gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen.

  2. Het verbod geldt niet voor:

    1. laagstam-vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;

    2. fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;

    3. kweekgoed;

    4. houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld; hiervoor geldt wel een meldingsplicht;

    5. houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die:

      1. ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are;

      2. ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen;

    6. houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last van het bevoegde gezag, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4:11e;

    7. houtopstand ten aanzien waarvan bij een geldend bestemmingsplan of bij een geldend voorberei¬dings¬besluit is bepaald dat het verboden is deze te vellen zonder vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht);

    8. houtopstand gelegen in een beschermd natuurmonument in de zin van de natuurbeschermingswet;

    9. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud (hierbij geldt wel een meldingsplicht);

    10. het periodiek beknotten of kandelaberen als cultuurmaatregel;

    11. bomen op percelen die in eigendom zijn van Rijkswaterstaat, provincie, gemeente, Prorail/NS-vastgoed, Wetterskip Fryslan, met een stamomtrek van minder dan 75 cm, te meten op 1.30 meter hoogte, uitgezonderd houtopstanden die onder de meldingsplicht vallen;

    12. bomen die behoren tot de cypresachtigen;

    13. Populieren, wilgen, elzen, berken op percelen die in eigendom zijn van particulieren;

    14. stambomen op percelen die in eigendom zijn van particulieren met een stamomtrek van minder dan 150 cm, te meten op 1.30 meter hoogte, uitgezonderd houtopstanden die onder de meldingsplicht vallen;

    15. leibomen op percelen die in eigendom zijn van particulieren met een stamomtrek van minder dan 100 cm, te meten op 1.30 meter hoogte, uitgezonderd houtopstanden die onder de meldingsplicht vallen.

  3. Het verbod is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen.

Artikel 4:11a

Aanvraag vergunning

  1. De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

  2. Wanneer het bevoegde gezag in het kader van de Boswet aan het college een afschrift heeft toegezonden van de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2 van de Boswet, beschouwt het college dit afschrift mede als een vergunningaanvraag.

Artikel 4:11b

Weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning in elk geval worden geweigerd op grond van de:

  1. natuurwaarde van de houtopstand;

  2. landschappelijke waarde van de houtopstand;

  3. waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

  4. beeldbepalende waarde van de houtopstand;

  5. cultuurhistorische waarde van de houtopstand.

Artikel 4:11c

Bijzondere voorschriften

  1. Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegde gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.

  2. Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  3. Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren aanwijzingen ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna.

Artikel 4:11d

Meldingsplicht voor dunning

  1. Van het voornemen tot dunning van een houtopstand moet bij het bevoegd gezag of de door hem aangewezen ambtenaar een schriftelijke en ondertekende kennisgeving worden ingediend.

  2. Het bevoegd gezag geeft binnen een maand na het ontvangen van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, een verklaring van ontvangst af.

  3. Behoudens het bepaalde in het vierde lid, is het verboden met het dunnen van een houtopstand te beginnen voordat de verklaring van ontvangst, bedoeld in het tweede lid, is afgegeven.

  4. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, behoeft niet te worden gedaan indien de houtopstand moet worden gedund ingevolge een verplichting van het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 4:11e, derde lid.

  5. Het bevoegd gezag kan ter bescherming van houtopstand in de in het tweede lid bedoelde verklaring van ontvangst aanwijzingen geven, welke bij het dunnen van de houtopstand in acht moeten worden genomen.

  6. De verklaring van ontvangst, bedoeld in lid twee, vervalt als niet binnen 6 maanden na de dagtekening daarvan met het dunnen van de houtopstand is begonnen.

  7. Het bevoegd gezag geeft de verklaring van ontvangst als bedoeld in het tweede lid niet af als de kennisgeving van voorgenomen dunning geacht moet worden betrekking te hebben op het vellen van een houtopstand, waarvoor een omgevingsvergunning is vereist.

  8. In het geval bedoeld in het zevende lid, wordt de kennisgeving van voorgenomen dunning aangemerkt als een verzoek om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4:11a. Het bevoegd gezag stelt in dat geval degene die de kennisgeving van voorgenomen dunning heeft gedaan, binnen de in het tweede lid genoemde termijn schriftelijk van hun beslissing in kennis.

Artikel 4:11e

Herplant-/instandhoudingsplicht

  1. Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegde gezag is geveld dan wel op andere wijze tenietgegaan, kan het bevoegde gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn.

  2. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  3. Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, ernstig in het voortbestaan wordt bedreigd, kan het bevoegde gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

  4. Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste tot en met derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 4:11f

Schadevergoeding

Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende door de toepassing van artikel 4:11, artikel 4:11c, artikel 4:11d of artikel 4:11e, schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te komen en waarvan de vergoeding niet anderszins is verzekerd, kent het bevoegde gezag hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

Artikel 4:11g

Bestrijding iepziekte

  1. Dit artikel verstaat onder:

    1. iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);

    2. iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.), Scolytus multistratus (Marsch) en Scolytus pygmaeus.

  2. Indien zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren van verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:

    1. indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;

    2. de iepen ter plaatse te ontbasten en de bast te vernietigen;

    3. de niet ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen of zondanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.

    1. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren.

    2. Het verbod is niet van toepassing op geheel ontbast iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 centimeter.

    3. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het onder sub a. van dit lid gestelde verbod.

  3. Het niet voldoen aan de in het tweede lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden voor risico en voor rekening van aangeschrevenen, door of namens de gemeente kunnen worden verricht.

Artikel 4:11h

Bescherming bomen

  1. Het is verboden om bomen en houtopstanden die openbaar eigendom zijn:

    1. te beschadigen, te bekladden of te beplakken;

    2. daaraan snoeiwerk te verrichten behoudens door daartoe bevoegde deskundige boomverzorgers ter uitoefening van de hun opgedragen boomverzorgende taak.

  2. Het is verboden om één of meer voorwerpen in of aan een openbare houtopstand of boom aan te brengen of anderszins te bevestigen, behoudens vergunning van het bevoegd gezag.

  3. Het is verboden onder kroonprojectie van bomen, die openbaar eigendom zijn, materiaal of materieel op te slaan, behoudens vergunning van het college.

Artikel 4:11i

Afstand tot de erfgrens

De afstand tot de erfgrens als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 50 cm voor bomen met een stamomtrek tot 50 cm, gemeten op 1,30 m boven maaiveld en nihil voor heesters, heggen en bomen met een stamomtrek van 50 cm en groter, gemeten op 1,30 m boven maaiveld, en bestaande houtwallen (elzensingels, dykswallen).

Artikel 4:12

Bescherming groenvoorzieningen

Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in bij de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of bloembakken verboden enige schade toe te brengen aan een boom of een bloem- of heesterperk dan wel aldaar bloemen te plukken.

Artikel 4:12a

Verbod gebruik en oplaten van (wens)ballonnen

  1. In dit artikel wordt onder een (wens)ballon verstaan een ballon van rubber, latex, papier of ander materiaal vervaardigd die door middels van hete lucht afkomstig van vuur dan wel door middel van helium of andere gassen in de lucht wordt gebracht en mede door de wind door de lucht wordt verplaatst. Hieronder wordt mede verstaan herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon geluksballon of andere daarmee vergelijkbare ballon of ballonachtige voorwerpen.

  2. Het is verboden een (wens)ballon op te laten of in de lucht te brengen bij evenementen als bedoeld in artikel 2:25 van deze verordening en bij kleine evenementen als bedoeld in artikel 2:25a van deze verordening.

Artikel 4:13

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.

  1. Het is verboden in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    1. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    2. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    3. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;

    4. mestopslag, gierkeldesr of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen;

  2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:15

Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

  1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak (handels)reclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

  2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.

Artikel 4:15a

Reclame met reclameverlichting

  1. Het is verboden om zonder vergunning van het bevoegde gezag:

    1. op of aan een onroerende zaak (handels)reclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats, en

    2. als eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van een onroerende zaak toe te staan of te gedogen dat op of aan die onroerende zaak (handels)reclame wordt gemaakt of gevoerd met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats,

  2. wanneer daarbij gebruik wordt gemaakt van reclameverlichting.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd:

    1. indien de reclame niet voldoet aan de laatste versie van de Richtlijn Lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde;

    2. indien de reclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    3. in het belang van de verkeersveiligheid;

    4. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van in de nabijheid gelegen onroerende zaken

Artikel 4:17

Definitie

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:18

Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.

  2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik op eigen terrein en voor de door recreatieschap “De Marrekrite” als zodanig aangewezen plaatsen.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing kan worden geweigerd in het belang van de bescherming van:

    1. natuur en landschap; of

    2. een dorpsgezicht.

Artikel 4:19

Aanwijzing kampeerplaatsen

  1. Artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen, genoemd in artikel 4:18, vierde lid.

Artikel 4:20

Definities

  1. Woning: een gebouw of een deel van een gebouw dat voor bewoning wordt gebruikt of daartoe is bestemd.

  2. Stankgevoelige objecten: objecten als genoemd in de Richtlijn Veehouderij en stankhinder 1996.

  3. Emballage: glazen flessen tot 5 l, kunststof flessen of vaten tot 60 l, metalen bussen tot 25 l, stalen vaten of fiberdrums tot 300 l, papieren of kunststof zakken, laadketels.

  4. PGS-30: vloeibare aardolieproducten: buitenopslag in kleine installaties.

Artikel 4:21

Opslag van mest

  1. De opslag van mest moet zodanig geschieden dat geen mest(vocht) in of op de bodem of het oppervlaktewater terecht kan komen.

  2. Dunne mest moet worden opgeslagen in een doelmatige mestdichte opslagruimte (kelder).

  3. Vaste mest moet worden opgeslagen op een mestdichte betonnen ondergrond voorzien van opstaande randen en een mestdichte afvoer naar een mestdichte opslagruimte (kelder), of een gelijkwaardige voorziening.

  4. Van lid 3 mag worden afgeweken indien de opslag van vaste mest plaatsvindt:

    1. boven een absorberende laag en een dikte van ten minste 0,15 meter en een organische stofgehalte van ten minste 25 % (bijvoorbeeld stro of zaagsel) en

    2. onder een permanente bovenafdekking, zodanig dat contact met hemelwater wordt voorkomen.

  5. De opslag van vaste mest mag niet onder het maaiveld zijn gelegen.

  6. Bij een opslag overeenkomstig lid 4 moet de absorberende laag tezamen met de mest worden verwijderd.

  7. Er mag niet meer dan 50 m3 vaste mest worden opgeslagen.

  8. De vaste mest moet ten minste 1 maal per jaar worden verwijderd.

  9. Verwijdering van de mest moet zodanig geschieden dat hierdoor geen hinder voor de omgeving dan wel verontreiniging van de bodem of oppervlaktewater ontstaat. Eventueel gemorste mest moet direct worden verwijderd.

  10. De opslag van vaste mest moet geschieden op een afstand van ten minste:

    1. 50 meter van een woning van derden of ander gevoelig object binnen de bebouwde kom;

    2. 25 meter van een woning van derden of ander gevoelig object buiten de bebouwde kom;

    3. 5 meter van de erfgrens;

    4. 5 meter van de insteek van een oppervlaktewater.

Artikel 4:22

Opslag van vloeistoffen

  1. Opslag van brandbare vloeistoffen in emballage moet geschieden in doelmatige verpakking en boven een vloeistofdichte lekbak die een inhoudscapaciteit heeft die ten minste gelijk is aan de totale in deze lekbak opgeslagen vloeistof.

  2. Een tank voor de opslag van brandbare vloeistoffen mag niet een grotere inhoud hebben dan 1100 liter.

  3. Er mag niet meer dan 25 liter brandbare vloeistoffen in emballage worden opgeslagen.

  4. Opslag van brandbare vloeistoffen in emballage moet op een afstand van ten minste 25 meter van woningen van derden plaatsvinden.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening gemeente Tytsjerksteradiel 2024