1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een roerende of onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

    1. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    2. met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  5. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor bet aanbrengen van handelsreclame.

  6. In de periode vanaf vier weken voor de dag van Europese, landelijke, provinciale, gemeentelijke of waterschapsverkiezingen of een referendum is het verboden om de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van boodschappen anders dan ten behoeve van de verkiezingen of het referendum.

  7. In de periode van vier weken voor de dag van Europese, landelijke, provinciale, gemeentelijke of waterschapsverkiezingen of een referendum kunnen politieke partijen gebruik maken van daartoe door het college bestemde frames voor gedrukte spandoeken ten behoeve van de betreffende verkiezing of het betreffende referendum. De spandoeken worden binnen 48 uur na de dag van de verkiezing of het referendum uit de frames verwijderd. Het in lid 7 bepaalde is overeenkomstig van toepassing.

  8. Het is, behoudens een ingeschreven politieke partij, voor eenieder verboden een in lid 6b bedoeld frame te gebruiken. Het is tevens verboden om een frame te gebruiken voor een ander oogmerk dan de verkiezing of het referendum.

  9. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

  10. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.