1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.

  2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor

    1. kleinschalig kamperen bij een bestaand agrarisch bedrijf dat een bouwblok omvat met bedrijfswoning (het zogenaamde ‘kamperen bij de boer’) met een maximum aantal van 15 kampeermiddelen gedurende het kampeerseizoen (van 15 maart tot 31 oktober);

    2. verenigings-en groepskamperen, gekoppeld aan evenementen, festiviteiten of andere bijzondere gelegenheden.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:

    1. de bescherming van natuur en landschap;

    2. de bescherming van een stads- of dorpsgezicht;

    3. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3, Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.