1. De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan altijd worden geweigerd of ingetrokken in het belang van:

    1. de openbare orde;

    2. de openbare veiligheid;

    3. de volksgezondheid;

    4. onvoldoende toegankelijkheid waar het wel mogelijk is;

    5. de bescherming van het milieu.

  2. De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd:

    1. indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan 8 weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft;

    2. indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing zoals bedoeld in artikel 2:12, lid 4 (A-evenement) van deze verordening wordt ingediend minder dan 12 weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning nodig heeft;

    3. indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing zoals bedoeld in artikel 2:12, lid 5 (B-evenement) van deze verordening wordt ingediend minder dan 20 weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning nodig heeft;

    4. indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing zoals bedoeld in artikel 2:12, lid 6 (C-evenement) van deze verordening wordt ingediend minder dan 26 weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning nodig heeft.