Algemene plaatselijke verordening Reimerswaal 2025 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Afdeling Betoging
Afdeling Verspreiding van gedrukte stukken
Afdeling Vertoningen op de weg
Afdeling Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Afdeling Veiligheid op de weg
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Afdeling Bestrijding van heling van goederen
Paragraaf Afdeling 13. Consumentenvuurwerk
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Hoofdstuk Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Hoofdstuk Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Artikel 4:1

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  • collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  • gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  • inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 van deze verordening uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4:2

Aanwijzing collectieve festiviteiten

  1. Het college kan collectieve festiviteiten aanwijzen.

  2. In een aanwijzing kan het college bepalen dat deze aanwijzing alleen geldt in een deel van de gemeente.

  3. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

  4. Het college kan, als een collectieve festiviteit onverwacht wordt georganiseerd, een festiviteit meteen aanwijzen als collectieve festiviteit.

Artikel 4:3

Melding incidentele festiviteiten

  1. Het is verboden incidentele festiviteiten te houden zonder dit ten minste 2 weken van tevoren te melden aan het college.

  2. Een melding wordt ingediend met gebruikmaking van het door het college daartoe vastgestelde formulier.

Artikel 4:3a

Algemene regels collectieve en incidentele festiviteiten

  1. Het aantal incidentele festiviteiten per kalenderjaar bedraagt maximaal 6.

  2. De waarden voor geluid, bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.71 van het omgevingsplan, zijn niet van toepassing op de collectieve en incidentele festiviteiten.

  3. Collectieve en incidentele festiviteiten vinden uitsluitend inpandig plaats.

  4. Tijdens collectieve en incidentele festiviteiten blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

  5. Het equivalente geluidniveau Leq van collectieve en incidentele festiviteiten bedraagt niet meer dan:

    1. Leq = 70 dB(A) en 85 dB(C), tussen 08.00 en 19.00 uur,

    2. Leq = 65 dB(A) en 80 dB(C), tussen 19.00 en 23.00 uur,

    3. Leq = 60 dB(A) en 75 dB(C), tussen 23.00 en 02.00 uur,

    op 1 meter vóór de gevel van een geluidgevoelig gebouw, dan wel op een afstand van 50 meter vanaf het gebouw waarin de festiviteiten plaatsvinden, indien zich binnen die afstand geen geluidgevoelige objecten bevinden.

  6. Het maximaal toegelaten geluidsniveau als bedoeld in het vijfde lid, mag op zondag vanaf 13:00 uur en op maandag tot en met zaterdag vanaf 08:00 uur aanvangen.

  7. Collectieve en incidentele festiviteiten worden uiterlijk om 02:00 uur beëindigd.

  8. Bij het bepalen van equivalente geluidniveau Leq als bedoeld in het vijfde lid wordt:

    1. onversterkte muziek meegenomen;

    2. geen muziekgeluidcorrectie toegepast;

    3. de bedrijfsduurcorrectie niet meegerekend.

  9. Op het bepalen van het geluid als bedoeld in het vijfde lid, is bijlage IVh (meet- en rekenmethode geluid industrie) van de Omgevingsregeling van toepassing, met dien verstande dat:

    1. het geluid gemeten wordt op 1 meter vóór de gevel van een geluidgevoelig gebouw, op een meethoogte van 1,5 meter, dan wel op een afstand van 50 meter vanaf het gebouw waarin de festiviteiten plaatsvinden, indien zich binnen die afstand geen geluidgevoelige objecten bevinden;

    2. de vereiste meetduur minimaal 3 minuten bedraagt.

Artikel 4:3b

voorschriften

Aan de aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2 en de melding als bedoeld in artikel 4.3 worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op voorkomen van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken.

Artikel 4:5

Onversterkte muziek

  1. Bij het laten horen van onversterkte muziek, welke uitsluitend inpandig ten gehore mag worden gebracht/mag worden geproduceerd, is het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger dan de waarden, bedoeld in onderstaande tabel.

  2. Bij het laten horen van onversterkte muziek, is het geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen niet hoger dan de waarden, bedoeld in onderstaande tabel.

  3. De waarden zoals genoemd in het eerste lid gelden:

    1. op de gevel, als het gaat om een geluidgevoelig gebouw;

    2. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw;

    3. op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen;

    4. op een afstand van 50 meter vanaf het gebouw waarin de activiteit plaatsvindt, indien zich binnen die afstand geen geluidgevoelige objecten als bedoeld in lid a, b of c bevinden;

  4. Bij het bepalen van de geluidniveaus in de in het eerste en tweede lid opgenomen tabel wordt de bedrijfsduurcorrectie en muziekgeluidcorrectie (als bedoeld in bijlage IVh van de Omgevingsregeling) niet meegerekend.

  5. De waarden zoals genoemd in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten.

  6. De waarden zoals genoemd in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op onversterkte muziek, afkomstig van het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, welke uitsluitend inpandig hun muziek ten gehore mogen brengen, voor maximaal 4 uur per week gedurende de dag- en avondperiode.

  7. De waarden zoals genoemd in het tweede lid zijn niet van toepassing als de eigenaar geen medewerking verleent aan het onderzoek naar het geluid in geluidgevoelige ruimten binnen zijn gebouw.

  8. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en moet voldaan worden aan subparagraaf 22.3.4.2 van het omgevingsplan.

  9. Op het bepalen van het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en het geluid voor het toelaatbare geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen is bijlage IVh (meet- en rekenmethode geluid en industrie) van de Omgevingsregeling van toepassing.

Artikel 4:5b

Geluidhinder in de openlucht

  1. Het is verboden in de open lucht geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Het is verboden na 22:00 uur geluidsversterkende apparatuur te gebruiken in de buitenruimte.

  3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:5c

Geluidhinder door dieren

  1. Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt.

  2. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van geluidshinder veroorzaakt door hanen en honden.

Artikel 4:5d

Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen

  1. Het is verboden buiten een inrichting zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat.

  2. Het college kan ontheffing van dit verbod verlenen in de periode van 31 december 10:00 tot 1 januari 01:00 uur.

Artikel 4:5e

Geluidhinder door vrachtauto’s

  1. Het is verboden buiten een inrichting een vrachtauto als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 op zodanige wijze te laden of te lossen of koelmotoren te laten draaien, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 4:6

Overige geluidhinder

  1. Het is verboden toestellen, machines of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

  3. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  4. Het verbod geldt niet voor situaties waarin wordt voorzien door andere regelgeving.

Artikel 4:6a

Knalapparatuur

Het is toegestaan een knalapparaat te gebruiken om dieren te verjagen als:

  1. deze wordt gebruikt tussen 07:00 uur en 21:00 uur;

  2. deze minimaal 50 meter van de openbare weg staat;

  3. deze minimaal 250 meter van de bebouwde kom en andere geluidgevoelige terreinen of gebouwen van derden staat;

  4. deze minimaal 250 meter van een ander knalapparaat staat;

  5. deze van een geluidgevoelig gebouw afgericht staat;

  6. de knalfrequentie maximaal 6 knallen per uur bedraagt;

  7. deze dagelijks minimaal 50 meter wordt verplaatst.

Artikel 4:6b

Lichtmasten bij paardenbakken

  1. Het is verboden om lichtmasten bij een paardenbak in werking te hebben tussen 22:00 uur en 07:00 uur.

  2. Het verbod geldt niet voor lichtmasten waarvoor in de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu andere voorschriften zijn opgenomen.

Artikel 4:7a

Verbod oplaten ballonnen

  1. Het is verboden ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten stijgen.

  2. Onder een ballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon, papierballon, geluksballon.

  3. Onder een ballon wordt in dit verband niet bedoeld een luchtballon, bedoeld voor personenvervoer.

Artikel 4:8

Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4:9

Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4:10

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • Boom: een houtachtig, overblijvend gewas met één of meerdere doorgaande stam(men). De diameter van de boom wordt gemeten op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. Bij meerstammigheid geldt de diameter van de dikste stam;

  • Houtopstand: Eén of meer bomen, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en bomen, een landschappelijke beplanting bestaande uit inheemse soorten;

  • Velling: omvat alle handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. Dit omvat rooien, verplanten, vernielen, het snoeien of verwijderen van meer dan 30% van het kroonvolume en de éérst maal knotten of kandelaberen, of het wegnemen/beschadigen van wortels > 4 cm doorsnede.

  • Dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan en kwaliteit van de resterende houtopstand, te beschouwen als periodiek noodzakelijk onderhoud;

  • Bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet in samenhang gelezen met artikel 9.9, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  • Boomwaarde: wordt bepaald volgens de geldende norm, bijvoorbeeld de vervangingswaarde van de boom of de rekenmethode NVTB van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen;

  • Illegale velling: het geheel of gedeeltelijk vellen, beschadigen of vergiftigen van houtopstand zonder de vereiste omgevingsvergunning of aanlegvergunning of wanneer een houtopstand die valt onder de Wet natuurbescherming, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is gevuld zonder dat vooraf melding bij de Provincie heeft plaatsgevonden;

  • Habitus: de natuurlijke verschijningsvorm van een boom zoals die zich ontwikkelt zonder menselijk ingrijpen.

  • Achtertuin: het deel van het perceel achter de voorgevelrooilijn. Bij hoekhuizen ligt een achtertuin achter de voorgevelrooilijn én achter de zijgevelrooilijn van de woning dan wel achter de zijgevelrooilijn van het verst gelegen bijbehorende bouwwerk in het bij dat hoekhuis gelegen erf.

Artikel 4:11

Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de onderstaande houtopstanden buiten de bebouwde kom:

    1. de houtopstanden die onder (de meldplicht van) de Wet natuurbescherming, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, vallen;

    2. fruitbomen en windschermen om boomgaarden;

    3. naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar;

  3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt tevens niet voor onderstaande houtopstanden:

    1. houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving of last van het bevoegd gezag, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4:12b van deze verordening;

    2. houtopstand met een stamdiameter < 20 cm, gemeten op 1,3 m boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de diameter van de dikste stam;

    3. houtopstand in achtertuinen van woningen, tenzij deze geregistreerd zijn bij de Bomenstichting, of zijn opgenomen in de lijst ‘monumentale en waardevolle bomen Reimerswaal’;

    4. coniferen, deze omvatten zowel naaldboom- als haagconiferen;

    5. houtopstand die bij wijze van dunning moet wordt geveld;

    6. knotten en/of kandelaberen van houtopstand die deze maatregel als regulier onderhoud vereist. De eerste snoeihandeling van een natuurlijke habitus naar een knot-/lei- of kandelaber-vorm is wel vergunningplichtig;

    7. houtopstand die zich bevindt binnen een locatie waarin een project wordt gerealiseerd op basis van een gemeentelijk bestemmings-, wonen-, groen- of landschapsplan of een reeds verleende omgevingsvergunning waarin een beoordeling heeft plaatsgevonden ter zake van het vellen van de desbetreffende houtopstand;

    8. bomen die zijn gekweekt door een kwekerij op daarvoor bestemde terreinen.

  4. De burgemeester kan toestemming of opdracht geven tot het direct vellen van een houtopstand, indien er sprake is van gevaar of een zwaarwegend spoedeisend belang.

  5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 4:12

Weigeringsgronden

Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden onder voorschriften weigeren dan wel verlenen. In de beleidsregels worden deze voorschriften nader gemotiveerd.

Artikel 4:12a

Bijzondere vergunningsvoorschriften

  1. Van de omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden kan niet eerder gebruik worden gemaakt dan nadat deze onherroepelijk is geworden.

  2. De omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden als bedoeld in artikel 4:11 van deze verordening vervalt indien daarvan niet binnen twee jaar na inwerkingtreding volledig gebruik is gemaakt.

  3. Tot de aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren:

    1. het voorschrift dat binnen een door het bevoegd gezag te bepalen termijn en overeenkomstig de in de beleidsregels vastgestelde wijze moet worden herplant;

    2. het voorschrift waarin wordt bepaald binnen welke termijn en op welke wijze niet geslaagde herbeplanting moet worden vervangen.

Artikel 4:12b

Herplant-/instandhoudingsplicht

  1. Indien een houtopstand illegaal is geveld of op andere wijze bewust teniet is gedaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde of eigenaar, dan wel diens gemachtigde rechtspersoon, de verplichting opleggen om te herplanten. Aan deze herplantplicht kunnen door het bevoegd gezag nadere voorwaarden worden gesteld.

  2. Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, in het voortbestaan wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde of eigenaar, dan wel diens gemachtigde rechtspersoon, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

  3. Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste en tweede lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen binnen de gestelde termijn.

Artikel 4:12c

Bestrijding boom- en plantenziekten en aantastingen

  1. Indien zich op een terrein een of meerdere bomen of houtopstanden bevinden die krachtens de Plantgezondheidswet of naar oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren voor verspreiding of vermeerdering van de ziekte, ziekteverwekker of aantastingorganisme, is de rechthebbende verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn:

    1. de ziekte of aantasting te behandelen volgens een doeltreffende behandelmethode zodat het gevaar wordt weggenomen;

    2. of de houtopstand te vellen en het restmateriaal te behandelen of te vernietigen zodat verspreiding of vermeerdering wordt voorkomen.

  2. Het is verboden om voor verspreiding of vermeerdering van de ziekte, ziekteverwekker of aantastingorganisme gevaarlijke bomen, planten of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren.

  3. Het bevoegd gezag kan een ontheffing verlenen voor dit verbod.

  4. Voor de behandeling of bestrijding van diverse boom- en plantenziekten en -aantastingen zijn de door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels van toepassing.

Artikel 4:12d

Afstand van de erfgrenslijn

De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en nihil voor hagen en heesters. Bij bomen wordt gemeten vanuit het hart van de stam(voet).

Artikel 4:12e

Uitzicht belemmerende beplanting

De zakelijk gerechtigde of eigenaar van een boom, heg, struik of andere beplanting welke aan het wegverkeer het vereiste vrije zicht belemmerd of op andere wijze hinder of gevaar kan opleveren, is verplicht deze houtopstand te snoeien, of op te binden, of te verwijderen na aanschrijving door het bevoegd gezag, binnen een door hen te stellen termijn en overeenkomstig hun aanwijzingen.

Artikel 4:13

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke

  1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    1. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    2. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    3. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 van deze verordening of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

    4. mestopslag , gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:14a

Verontreiniging door gebruik meststoffen

  1. Dit artikel verstaat onder:

    • meststoffen: meststoffen als bedoeld in artikel 1 van de Meststoffenwet;

    • emissiearm aanwenden: gebruiken van meststoffen op de wijze die is aangegeven in de bij het Besluit gebruik meststoffen behorende bijlage II, met dien verstande dat onder 3, punt a onder 2e gelezen moet worden: ‘tijdens het uitrijden van de mest deze gelijktijdig wordt ondergewerkt’;

    • grond: bouwland, maïsland en grasland.

  2. Onverminderd het bepaalde in het Besluit gebruik meststoffen is het verboden op gronden meststoffen uit te rijden, op te brengen, te doen uitrijden of te doen opbrengen op zondag en op de volgende feest en gedenkdagen: nieuwjaarsdag, eerste en tweede paasdag, eerste en tweede pinksterdag, Hemelvaartsdag, eerste en tweede kerstdag, 5 mei en Koningsdag.

  3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing voor zover de mest emissiearm, als bedoeld in dit artikel, wordt aangewend.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van de in het tweede lid gestelde verboden.

  5. Vervoer van meststof als dunne mest dient te geschieden in volledig gesloten transportmiddelen die in een zindelijke staat verkeren.

  6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 4:15

Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

  1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

  2. Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.

Artikel 4:17

Definitie

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:18

Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.

  2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 van deze verordening kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van:

    1. natuur en landschap; of

    2. een stadsgezicht.

Artikel 4:19

Aanwijzing kampeerplaatsen

  1. Artikel 4:18, eerste lid van deze verordening, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:18, vierde lid van deze verordening.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening Reimerswaal 2025