1. Overtreding van het bij of krachtens de in deze verordening gestelde geboden en verboden en de daarbij op grond van artikel 1:4 van deze verordening gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

  2. Overtreding van het bij of krachtens artikel 2:1 van deze verordening bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1:4 van deze verordening gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie.

  3. In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10 en 2:11 van deze verordening als sprake is van een omgevingsvergunningplichtige activiteit, artikel 2:12, eerste lid, en artikel 4:11, tweede lid van deze verordening.

  4. In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.