1. Van de omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden kan niet eerder gebruik worden gemaakt dan nadat deze onherroepelijk is geworden.

  2. De omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden als bedoeld in artikel 4:11 van deze verordening vervalt indien daarvan niet binnen twee jaar na inwerkingtreding volledig gebruik is gemaakt.

  3. Tot de aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren:

    1. het voorschrift dat binnen een door het bevoegd gezag te bepalen termijn en overeenkomstig de in de beleidsregels vastgestelde wijze moet worden herplant;

    2. het voorschrift waarin wordt bepaald binnen welke termijn en op welke wijze niet geslaagde herbeplanting moet worden vervangen.