1. Het is verboden zonder vergunning van het college bedrijfsmatig voertuigen ten behoeve van gebruik door derden op de weg te plaatsen en aan te bieden.

  2. De vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt aangevraagd bij het college.

  3. Een aanvrager mag maximaal 1 vergunning aanvragen. Indien een rechtspersoon meerdere handelsnamen gebruikt, wordt deze beschouwd als dezelfde aanvrager.

  4. De vergunning wordt verleend voor de duur van maximaal vijf jaar.

  5. Het college weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid indien tegen verlening daarvan overwegend bezwaar bestaat uit het oogpunt van:

    1. doelmatig beheer en onderhoud van de weg, daaronder mede begrepen de bescherming van de belangen van het rij- en voetgangersverkeer ende verdeling van gebruiksmogelijkheden van de weg;

    2. bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente;

    3. schade die door het gebruik van de weg wordt toegebracht;

    4. te verwachten hinder voor de omgeving als gevolg van het gebruik van de weg ten behoeve waarvan de vergunning wordt aangevraagd; of

    5. privacy.

  6. Het college kan nadere regels stellen ten behoeve van de vergunningsprocedure.

  7. Het college kan in het belang van de verkeersveiligheid en het voorkomen van overlast door deelvoertuigen in de openbare ruimte nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van deelmobiliteit.

  8. Indien het college het nodig acht voor de beoordeling van de aanvraag, kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

  9. Het college kan gebieden aanwijzen die zijn uitgesloten van de mogelijkheid tot vergunningverlening zoals bedoeld in het eerste lid.

  10. Het college kan voertuigcategorieën aanwijzen waarvoor het verbod als bedoeld in het eerste lid niet van toepassing is.

  11. De vergunning is niet overdraagbaar.

  12. In afwijking van het eerste lid geldt dit verbod niet voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel reeds onder dit artikel vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten in de eerste drie maanden na inwerkingtreding van dit artikel of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagd vergunning, voor zover dat eerder is.

  13. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.