Het is verboden een openbare inrichting voor het publiek geopend te houden zonder dat:
een op de vergunning of het aanhangsel vermelde exploitant of beheerder aanwezig is; of
een persoon wiens bijschrijving op grond van artikel 2:28, eerste lid onder c, van deze verordening is gevraagd, mits de ontvangst van die aanvraag is bevestigd en zolang nog niet op die aanvraag is beslist, aanwezig is.
De exploitant(en) en de beheerder(s) zijn verplicht er voortdurend op toe te zien dat in de openbare inrichting geen strafbare feiten plaatsvinden.
De burgemeester kan categorieën van openbare inrichtingen of openbare inrichtingen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt.