1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    1. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

    2. buiten de bebouwde kom op een openbare plaats tijdens het broedseizoen (15 maart 15 juli) indien de hond niet is aangelijnd;

    3. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats indien de hond niet is aangelijnd, of

    4. op een openbare plaats indien de hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  2. Het eerste lid aanhef en onder b en c, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  3. Het college kan, in aanvulling op het gestelde in het eerste lid onder b, plaatsen aanwijzen buiten de bebouwde kom, waar honden ook buiten het broedseizoen aangelijnd dienen te zijn.

  4. Het eerste lid aanhef en onder a tot en met c is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:

    1. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of

    2. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

  5. Het is de eigenaar, houder of begeleider van een hond verboden om zich met meer dan drie niet-aangelijnde honden te begeven op door het college daartoe aangewezen plaatsen.