1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.
2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.
a. het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen is alleen toegestaan voor leden van hengelsportfederaties of hengelsportverenigingen. Indien de hengelsportfederatie/vereniging voor het nachtvissen een speciale toestemming verplicht stelt dan geldt de ontheffing alleen als de visser in bezit is van de reguliere Vispas in combinatie met deze speciale toestemming, anders is de Vispas toereikend;
b. het plaatsen of geplaatst houden van eenvoudige kampeermiddelen mag alleen door diegene die op dat moment ook daadwerkelijk vist met één of meer hengels;
c. het plaatsen of geplaatst houden van eenvoudige kampeermiddelen is alleen toegestaan binnen een afstand van 4 meter van het water waarin wordt gevist;
d. per persoon mag maximaal 1 eenvoudig kampeermiddel worden geplaatst of geplaatst worden gehouden;
e. onder eenvoudig kampeermiddel wordt verstaand: een paraplu - al dan niet voorzien van daarbij horende flappen - of een tent. Het kampeermiddel mag geen grotere afmetingen hebben dan 3 bij 3 meter en moet een neutrale, bruine of camouflagekleur hebben;
f. het is de sportvisser verboden overmatig alcohol te gebruiken, geluidsoverlast te veroorzaken, muziek te maken of af te spelen en open vuur te stoken;
g. afval moet in het eenvoudige kampeermiddel worden bewaard en moet bij het verlaten van de visplek worden meegenomen;
3. Het college kan ontheffing verlenen voor het verbod als bedoeld in het eerste lid onder de voorwaarden dat de visser de juiste vergunning heeft (Vispas) en gebruik maakt van de daarvoor bestemde oppervlaktewateren zoals aangegeven in de Lijst van Gezamenlijke Viswateren behorende bij de Vispas. Aan de ontheffing kunnen nadere voorschriften worden verbonden.
4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:
a. de openbare orde;
b. de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of andere goederen;
c. het voorkomen of beperken van overlast;
d. de bescherming van natuur en landschap; of
e. de bescherming van een stadsgezicht.
5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
6. Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van het eerste lid niet geldt. Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van:
a. de openbare orde;
b. de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of andere goederen;
c. het voorkomen of beperken van overlast;
d. de bescherming van natuur en landschap; of
e. de bescherming van een stadsgezicht.