1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:27 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

2. De burgemeester kan een inrichting – als dan niet voor een bepaalde duur – gesloten verklaren:

a. indien de inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning;

b. indien de inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

c. indien één van de in artikel 1:6 genoemde situaties, waarbij intrekking van de vergunning mogelijk is, zich voordoet.

3. Een gesloten verklaring, als bedoeld in lid 2, wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of toegangen van de inrichting is aangebracht.

4. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.