1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Omgevingswet of van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale omgevingsverordening.

4. Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt niet voor:

a. evenementen als bedoeld in artikel 2:23;

b. voor het rijden met een geluidswagen door verenigingen en stichtingen voorzover:

i. de vereniging of stichting krachtens statuten en activiteiten een doel nastreeft dat van algemeen (gemeenschaps)belang is;

ii. de vereniging of stichting daarvan minstens vier weken voordat het rijden met een geluidswagen plaatsvindt, schriftelijk kennis geeft aan het college.

5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.