In deze verordening wordt verstaan onder:

  1. openbare plaats: plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek;

  2. weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;

  3. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

  4. bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet;

  5. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;

  6. bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening Nieuwegein;

  7. gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet;

  8. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

  9. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 Omgevingswet;

  10. voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen.