Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.
Algemene plaatselijke verordening Midden-Drenthe 2020 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 16-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).
Inhoud
HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK II OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID, VOLKSGEZONDHEID EN MILIEU
Paragraaf AFDELING 1 Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Paragraaf AFDELING 2 Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Paragraaf AFDELING 5 Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Drank- en Horecawet
Paragraaf AFDELING 7 Toezicht op speelgelegenheden
Paragraaf AFDELING 8 Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Paragraaf AFDELING 9 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Paragraaf AFDELING 10 Consumentenvuurwerk, carbid
Paragraaf AFDELING 11 Overlast van drugs en andere roesmiddelen in de openbare ruimte
Paragraaf AFDELING 12 Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
HOOFDSTUK III REGULERING PROSTITUTIE, SEKSBRANCHE EN AANVERWANTE ONDERWERPEN
HOOFDSTUK IV BESCHERMEN VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE
HOOFDSTUK V ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE
HOOFDSTUK VI STRAF- OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Paragraaf
Artikel 2:42
Plakken en kladden
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
Het verbod, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b is niet van toepassing op kinderen die in de uitoefening van hun spel stoepkrijt aanbrengen op horizontale oppervlakken.
De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
Artikel 2:43
Vervoer plakgereedschap en dergelijke
Het is verboden op een openbare plaats of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.
Het verbod is niet van toepassing, als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2: 42.
Artikel 2:45
Betreden van plantsoenen en dergelijke
Het is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken, grasperken of buiten de daarin gelegen wegen of paden.
Het verbod is niet van toepassing op gedragingen die passen binnen het daartoe bestemde gebruik van de in het eerste lid genoemde gronden.
Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.
Op de ontheffing bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 2:46
(vervallen)
Artikel 2:47
Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
Het is verboden op een openbare plaats:
te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt;
zich op te houden op een wijze dat daardoor de openbare orde of het veiligheidsgevoel van het publiek negatief wordt beïnvloed.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 239, 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:47a
Seksueel gedrag
Het is verboden op een openbare plaats of een plaats zichtbaar vanaf een openbare plaats seksuele handelingen te verrichten of zich op te houden in een houding, kledij of toestand, die onmiskenbaar hierop of op de bereidheid hiertoe is gericht, waardoor de openbare orde wordt verstoord of de verkeersveiligheid in gevaar wordt gebracht.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 239, 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:48
Verboden drankgebruik
Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
Het verbod is niet van toepassing op:
een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet,
een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en Horecawet.
Artikel 2:49
Verboden gedrag bij of in gebouwen
Het is verboden zonder redelijk doel:
zich in een trapportaal, portiek of poort op te houden;
in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.
Artikel 2:51
Neerzetten van fietsen of bromfietsen
Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek, of als daardoor die ingang versperd wordt.
Artikel 2:57
Loslopende honden
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;
buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd, of
op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:
die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden, of
die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 2:58
Verontreiniging door honden
Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.
Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
Artikel 2:59
Gevaarlijke honden
Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats, op eigen terrein of op het terrein van een ander.
De eigenaar of houder aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:
vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is, en
zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:62
Loslopend vee
De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Artikel 2:65
Bedelarij
Onverminderd het bepaalde in artikel 2:23 en de artikelen 2:47, 2:49 en 2:50, is het verboden ter voorkoming van overlast en hinder op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken.