1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan degene die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven om zich gedurende een in het bevel genoemde periode niet te bevinden op in het bevel aangewezen gebied.

  2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan degene aan wie eerder een bevel als bedoeld in het eerste lid is gegeven en ten aanzien van wie wordt geconstateerd dat hij opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven om zich gedurende een in dat bevel genoemde periode van ten hoogste acht weken niet te bevinden op in het bevel aangewezen gebied.

  3. Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden opgelegd indien strafbare feiten of andere openbare orde verstorende handelingen binnen zes maanden na het opleggen van een eerdere gebiedsontzegging, opgelegd op grond van het eerste of tweede lid, zijn geconstateerd.

  4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.

  5. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een krachtens het eerste lid gegeven bevel.