1. Het verbod in artikel 2.17, eerste lid, geldt niet voor:

    1. een openbare inrichting in zorginstellingen en scholen.

    2. een openbare inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de exploitatie daarvan ondergeschikt is aan de winkelactiviteit.

    3. een openbare inrichting in sportscholen/fitnesscentra, musea, crematoria en rouwcentra voor zover deze worden gebruikt als ondersteuning van de bedrijfsvoering.

    4. een bedrijfskantine of –restaurant voor zover deze uitsluitend als zodanig in gebruik is.

  2. In aanvulling op het eerste lid kan de burgemeester in nadere regels bepalen dat het exploiteren van bepaalde categorieën van inrichtingen, al dan niet beperkt tot een bepaald gebied, geheel of gedeeltelijk van de vergunningplicht als bedoeld in artikel 2.17 is vrijgesteld.

  3. Bij de toepassing van de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie.

  4. Voor openbare inrichtingen die op grond van het eerste of tweede lid niet vergunningplichtig zijn, dient vóór aanvang van de exploitatie een schriftelijke melding te worden gedaan aan de burgemeester door middel van een door de burgemeester vastgesteld meldingsformulier.