1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 1:6 en 1:8 weigert de burgemeester de vergunning of trekt deze in indien:

    1. de vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan;

    2. de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    3. de leidinggevende niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt;

    4. de leidinggevende onder curatele is gesteld;

    5. de ingediende vergunningaanvraag niet of niet langer overeenstemt met de feiten, welke relevant zijn voor de door de burgemeester te nemen of genomen beslissing;

  2. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 1:6 en 1:8, kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren of intrekken, indien:

    1. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de aanwezigheid van de openbare inrichting;

    2. aannemelijk is dat de leidinggevende betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de openbare inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting;

    3. de leidinggevende strafbare feiten pleegt in de openbare inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn openbare inrichting strafbare feiten worden gepleegd;

    4. de leidinggevende zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid;

    5. zich in of vanuit de openbare inrichting anderszins feiten of omstandigheden hebben voorgedaan, die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de openbare inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting;

    6. in strijd met artikel 2:28D wordt gehandeld;

    7. er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd.