1. Afdeling 10a treedt in werking op 1 januari 2026.

  2. De bepalingen van afdeling 10a zijn van toepassing op recreatieparken waarvan de exploitatie na de inwerkingtreding van deze afdeling wordt aangevangen, of wordt overgenomen door een nieuwe exploitant als bedoeld in artikel 2:40a, onder b.

  3. Voor recreatieparken die ten tijde van de inwerkingtreding reeds rechtmatig worden geëxploiteerd door een bestaande exploitant, geldt geen vergunningplicht als bedoeld in de artikelen 2:40b-2:40d en artikel 2:40g, zolang de exploitatie niet wordt overgedragen aan een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon, behoudens het bepaalde in het vierde lid. De overige bepalingen van afdeling 10a zijn wel van toepassing op een bestaande exploitatie.

  4. Indien zich binnen een bestaande exploitatie feiten en omstandigheden voordoen als bedoeld in de artikelen 2:40c, 2:40d of 2:40e, legt de burgemeester op een nader door hem te bepalen aanvraagtermijn een vergunningplicht als bedoeld in artikel 2:40b op.

  5. De gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning krachtens deze afdeling is vereist en die verder niet voorkomen in deze verordening, zijn niet van toepassing gedurende twaalf weken na inwerkingtreding van deze afdeling, alsook niet binnen de door de burgemeester bepaalde termijn als bedoeld in het vierde lid, en ook niet na deze termijn, voor zover degene die op grond van deze afdeling een vergunning nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag voor deze vergunning heeft ingediend, totdat op de aanvraag onherroepelijk is beslist.