Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Hilvarenbeek 2026 BETA Foutje gevonden?

Inhoud

Afdeling

Toezicht op openbare inrichtingen

Artikel 2:13a

Wijziging en verval van de exploitatievergunning

  1. Indien zich veranderde omstandigheden voordoen waardoor de exploitatie niet langer in overeenstemming is met de verleende vergunning, dient de exploitant onverwijld een ontvankelijke aanvraag in bij de burgemeester.

  2. Indien de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, niet binnen twee weken nadat de veranderde omstandigheden zich hebben voorgedaan is ingediend, kan de burgemeester de vergunning als bedoeld in artikel 2:13 intrekken.

  3. Een vergunning vervalt indien:

    1. gedurende een jaar, anders dan wegens overmacht, geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

    2. de exploitant de hoedanigheid van exploitant heeft verloren;

    3. een vergunning, strekkende ter vervanging van eerstbedoelde vergunning is verleend en door bekendmaking in werking is getreden;

    4. er sprake is van wijziging in de exploitatie doordat de aard van de inrichting is gewijzigd, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd.

  4. Indien binnen veertien dagen nadat de exploitant deze hoedanigheid heeft verloren een ontvankelijke aanvraag om een vergunning voor de exploitatie van dezelfde openbare inrichting wordt ingediend, blijft het bepaalde in het derde, onder b buiten toepassing, tot het moment dat op die aanvraag is beslist.

Artikel 2:13b

Intrekkingsgronden

  1. als de exploitant of leidinggevende handelt in strijd met de voorschriften van de vergunning;

  2. als de exploitant en leidinggevende(n) niet 18 jaar of ouder zijn of niet voldoen aan de bij of krachtens artikel 8, lid 1, aanhef en onder b. en c. en lid 2, van de Alcoholwet aan leidinggevenden gestelde eisen;

  3. als er sprake is van een wijziging in de exploitatie en dit niet is gemeld als bedoeld in artikel 2:13a;

  4. als aannemelijk is dat de exploitant of leidinggevende van de inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten, bij activiteiten in of vanuit de inrichting die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

  5. als zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

  6. als sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob;

  7. als de exploitant of leidinggevende van de inrichting toestaat of gedoogt dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd;

  8. als de aan de burgemeester verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest, waarbij ook het Bibob-vragenformulier en andere documenten die in het kader van de aanvraag zijn overgelegd, hieronder vallen.

Artikel 2:15

Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing in die situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voor-ziet.

Artikel 2:16

Verboden gedragingen

  1. Het is verboden in een openbare inrichting:

    1. de orde te verstoren

    2. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30 eerste lid;

    3. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.

Artikel 2:17

Handel binnen openbare inrichtingen, smart- of headshops en andere voor het publiek openstaande gebouwen

De exploitant van een openbare inrichting, of smart- of headshop of een ander voor het publiek openstaand gebouw en daarbij behorend erf staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting, die shop of in dat gebouw en daarbij behorend erf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Artikel 2:18

Het college als bevoegd bestuursorgaan

Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:13 tot en met 2:15 op als bevoegd bestuursorgaan.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Hilvarenbeek 2026