1. Besluiten, genomen krachtens de verordening, bedoeld in artikel 6:4, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

  2. Op bezwaarschriften tegen besluiten, die zijn genomen krachtens de verordening, bedoeld in artikel 6:4, wordt besloten overeenkomstig deze verordening, tenzij dit nadelige gevolgen heeft voor de bezwaarde.

  3. Op aanvragen, die zijn binnengekomen vóór het tijdstip waarop deze verordening in werking treedt, wordt besloten overeenkomstig deze verordening.

  4. Openbare inrichtingen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening reeds worden geëxploiteerd zonder vergunning, dienen binnen zes maanden na inwerkingtreding van deze verordening een vergunning als bedoeld in artikel 2:28 aan te vragen.