1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, wordt de vergunning voor een openbare inrichting ook geweigerd indien:

    1. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    2. de exploitant of de leidinggevende onder curatele staat;

    3. de leidinggevende de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;

    4. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    5. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften.

    6. de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan;

    7. er sprake is van ernstig gevaar in de zin van artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur.

  2. Daarnaast kan een vergunning voor een openbare inrichting ook worden geweigerd indien:

    1. voor de openbare inrichting reeds eerder een vergunning is ingetrokken onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking van de vergunning;

    2. voor de openbare inrichting reeds eerder een vergunning is ingetrokken op grond van artikel 2:28e gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking van de vergunning;

    3. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

  3. Alvorens te beslissen op een aanvraag kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, zoals bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

  4. De burgemeester kan nadere regels stellen met betrekking tot hetgeen onder slecht levensgedrag, als bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt verstaan.