Algemene plaatselijke verordening gemeente Bodegraven-Reeuwijk BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Afdeling
Afdeling
Afdeling
Afdeling Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Afdeling
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Afdeling Bestrijding van heling van goederen
Afdeling Consumentenvuurwerk
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Afdeling Tegengaan uitbuiting en onevenredige benadeling van huurders
Hoofdstuk Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente

Artikel 5:2

Voertuigen van autobedrijf en dergelijke

  1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

    1. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of

    2. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

    1. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of

    2. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

  3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

    1. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

    2. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:3

Te koop aanbieden van voertuigen

  1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:4

Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5:5

Voertuigwrakken

  1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5:6

Kampeermiddelen en andere voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

    1. langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben;

    2. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:7

Reclamevoertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:8

Grote voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan zes meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan zes meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. Voorts is het verboden een voertuig als bedoeld in dit lid langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen te parkeren op niet aangewezen wegen

  3. Het is in verband met het voorkomen van hinder of overlast voor bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen verboden om een voertuig met een koelaggregaat dat in werking is te parkeren op de weg.

  4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.

  5. Het tweede lid is voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

  6. Het college kan ontheffing verlenen van de verboden.

  7. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:9

Uitzichtbelemmerende voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan zes meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

  2. Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 5:11

Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

  1. Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook of het daarin te doen of te laten staan.

  2. Het verbod is niet van toepassing op:

    1. de weg;

    2. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam;

    3. voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 5:12

Overlast van fiets of bromfiets

  1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

  2. Het is verboden fietsen of bromfietsen onbeheerd te laten staan op door het college aangewezen plaatsen, langer dan een door het college te bepalen periode.

  3. Het is verboden fietsen of bromfietsen die rij technisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op of aan de weg te laten staan.

Artikel 5:13

Inzameling van geld of goederen of leden- en donateurwerving

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  2. Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  3. Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden:

    1. in besloten kring;

    2. door een instelling die is ingedeeld in het door het college vastgestelde collecte- en wervingsrooster, mits de inzameling of werving overeenkomstig dat collecte- en wervingsrooster plaatsvindt en met inachtneming van de volgende voorschriften:

      1. de instelling is verplicht om voor het einde van het kalenderjaar een financiële verantwoording te overleggen aan het Centraal Bureau Fondsenwerving;

      2. de collectanten en de leden- of donateurwervers zijn verplicht zich te legitimeren.

  4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:14

Definitie

  1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    1. venten: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis;

    2. feestdagen: Nieuwjaarsdag, Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Tweede Pinksterdag, Eerste Kerstdag en Tweede Kerstdag.

  2. Onder venten wordt niet verstaan:

    1. het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

    2. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet of artikel 5:22;

    3. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.

Artikel 5:15

Ventverbod

  1. Het is verboden te venten als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden te venten op:

    1. zondagen;

    2. feestdagen;

    3. maandagen t/m zaterdagen:

      1. tussen 20:00 uur en 09:30 uur in de periode van 30 april tot 15 oktober;

      2. tussen 19:00 uur en 09:30 uur in de periode van 15 oktober tot 1 mei.

  3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, onder a en b, is niet van toepassing op venten op het water, voor zover daarmee de recreatie op het water wordt gediend.

  4. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op:

    1. situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

    2. het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.

  5. In afwijking van het bepaalde in het eerste en vierde lid is het venten met gedrukte en geschreven stukken verboden op door het college in het belang van de openbare orde aangewezen openbare plaatsen, dagen of uren.

Artikel 5:17

Definitie

  1. In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan het vanaf een vaste plaats op of aan een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

  2. Onder standplaats wordt niet verstaan:

    1. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

    2. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

Artikel 5:18

Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  2. Geen vergunning als bedoeld in het eerste lid is nodig voor koek en zopie standplaatsen, die aan de volgende voorwaarden voldoen:

    1. de persoon of organisatie is verplicht minimaal twee werkdagen voorafgaand aan het innemen van een standplaats melding te doen bij het college;

    2. de persoon of organisatie heeft toestemming nodig van de eigenaar van de grond of het water;

    3. de standplaats mag alleen worden ingenomen gedurende de schaatsperiode;

    4. de standplaats mag geen gevaar opleveren voor de veiligheid van het (schaatsende) publiek;

    5. het is niet toegestaan om alcoholische dranken te schenken;

    6. de persoon of organisatie zorgt voor een toiletgelegenheid;

    7. de persoon of organisatie zorgt voor voldoende afvalcontainers;

    8. de persoon of organisatie laat het terrein schoon en in de oorspronkelijke staat achter.

  3. Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking.

  4. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.

  5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als:

    1. de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of

    2. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.

  6. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:19

Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 5:20

Afbakeningsbepalingen

  1. Artikel 5:18, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

  2. De weigeringsgrond van artikel 5:18, vierde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

Artikel 5:22

Definitie

  1. In deze afdeling wordt onder snuffelmarkt verstaan een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf standplaatsen.

  2. Onder snuffelmarkt wordt niet verstaan:

    1. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

    2. een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

Artikel 5:23

Organiseren van een snuffelmarkt

  1. Het is verboden een snuffelmarkt te organiseren:

    1. wegens strijd met het omgevingsplan;

    2. als de burgemeester het organiseren van de snuffelmarkt verboden heeft in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu; of

    3. zonder voorafgaande melding.

  2. De organisator doet de melding als bedoeld in het eerste lid, onder c, binnen twintig werkdagen voorafgaand aan de snuffelmarkt met vermelding van:

    1. naam en adres van de organisator;

    2. adres van het gebouw waar de snuffelmarkt gehouden wordt;

    3. de dagen en tijdstippen waarop de snuffelmarkt wordt gehouden;

    4. de frequentie van het houden van de snuffelmarkt;

    5. het soort van goederen en diensten dat wordt aangeboden en verhandeld;

    6. het aantal standplaatsen; en

    7. het te verwachten aantal bezoekers.

  3. De snuffelmarkt kan worden gehouden als de burgemeester niet binnen tien werkdagen na ontvangst van de melding heeft beslist dat het organiseren van de snuffelmarkt wordt verboden in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu. De burgemeester geeft daarvan binnen tien werkdagen na ontvangst van de melding aan de organisator met opgaaf van redenen bericht.

  4. Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.

Artikel 5:28

Beschadigen van waterstaatswerken

  1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 5:29

Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij, op of in het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 5:30

Veiligheid in en op het water

  1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

  2. Het is verboden te kitesurfen op het openbaar water.

  3. Het is verboden de duiksport te beoefenen in het openbaar water, behoudens in een door het college aangewezen gebied. Het college kan bij de aanwijzing gedeelten van een gebied aanwijzen waarbinnen duiken niet is toegestaan op de daarbij genoemde tijden of in de daarbij genoemde perioden.

  4. Het is de eigenaar of schipper van een vaartuig of een gebruiker van een zeilplank verboden zich daarmee te bevinden in een gedeelte van het openbaar water dat is afgezet voor zwemmers en duikers.

  5. Het is de eigenaar of gebruiker van een zeilplank verboden ligplaats in te nemen in zwem- of duikwater.

  6. Het is de eigenaar of gebruiker van een zeilplank verboden zich daarmee te bevinden in een door het college aangewezen gebied in de daarbij genoemde periode.

  7. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterwet of de provinciale vaarwegenverordening.

Artikel 5:31

Overlast aan vaartuigen

  1. Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

  2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Artikel 5:31A

Bediening van bruggen

Het is verboden bruggen op zodanige wijze te bedienen dat daardoor gevaar of overlast ontstaat of kan ontstaan.

Artikel 5:31B

Vaarverbod

  1. Het is verboden in het door het college aan te wijzen gebied te varen, te doen of te laten varen met enig vaartuig al dan niet gemotoriseerd.

  2. Aan het aan te wijzen gebied, dan wel gedeelte daarvan, kan een tijdsperiode verbonden worden.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  4. De genummerde ontheffing wordt schriftelijk en op naam verstrekt tezamen met één identiek genummerde sticker. Het is verboden te varen, te doen of laten varen zonder dat de ontheffing in het vaartuig aanwezig is alsmede zonder dat de corresponderende sticker permanent op een duidelijk waarneembare plaats aan bakboordzijde van het vaartuig is bevestigd.

  5. De geldigheidsduur van de ontheffing is maximaal één kalenderjaar.

  6. Geen ontheffing wordt verleend ten behoeve van gemotoriseerde vaartuigen voor de verhuur met uitzondering van elektroboten.

  7. Maximaal zeven ontheffingen worden verleend voor vaartuigen voor de commerciële verhuur geschikt voor het vervoer van 12 personen of meer.

  8. Zij die ontheffing hebben van het verbod mogen ook in die gebieden waarvoor een motorvaartverbod geldt met een motorboot varen en aanwezig zijn, mits zij aan de volgende voorwaarden voldoen:

    1. al dan niet permanent wonen aan een ingevolge het eerste lid aangewezen gebied,

    2. het vis- of jachtrecht hebben voor het ingevolge het eerste lid aangewezen gebied, of

    3. civiele werkzaamheden verrichten in het ingevolge het eerste lid aangewezen gebied, voor het bedrijf dat de werkzaamheden uitvoert.

  9. Het college kan nadere regels stellen betreffende de bewijsstukken die de in het vorige lid van dit artikel genoemde categorieën van personen moeten overleggen om aan te tonen dat zij voldoen aan de voorwaarden zoals in dat lid opgenomen.

  10. Het verbod geldt niet voor de hulpdiensten van brandweer, politie en reddingsbrigade en voor medewerkers van een duik(school)- of windsurfvereniging, die reddings- of beveiligingswerkzaamheden verrichten in het ingevolge het eerste lid aangewezen gebied bij dreigend gevaar voor mens of dier, of met het oog daarop oefenen.

  11. Op de aanvraag om een ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:31C

Snelheid van motorvaartuigen

  1. Het is verboden om in het door het college aangewezen gebied of gebieden met een gemotoriseerd vaartuig te varen, te doen of te laten varen met een hogere snelheid dan zes kilometer per uur.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod wanneer tijdens een evenement, zeil- of roei-instructie uit veiligheidsoverwegingen een hogere vaarsnelheid is vereist.

  3. Voor organisatoren van evenementen die op de wedstrijdkalender zijn opgenomen, geldt het verbod niet in die gevallen waarin de veiligheid gedurende de wedstrijd in het geding is.

  4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

  5. Het verbod is voorts niet van toepassing voor de hulpdiensten van brandweer, politie en reddingsbrigade die reddings- of beveiligingswerkzaamheden verrichten in het ingevolge het eerste lid aangewezen gebied of gebieden bij dreigend gevaar voor mens of dier, of met het oog daarop oefenen.

Artikel 5:31D

Bescherming van waterflora

  1. Het is verboden:

    1. te varen, te doen of te laten varen in of binnen een afstand van vier meter van rietkragen, biezen, liezen of enig opstaand watergewas, gele plompen of waterlelies, behoudens voor zover noodzakelijk om ligplaats in te nemen danwel deze te verlaten;

    2. zich te bevinden in of binnen een afstand van vier meter van de onder a genoemde gewassen;

    3. vaartuigen aan te leggen, te doen of te laten aanleggen aan bomen of struiken.

  2. Het is verboden op enigerlei wijze schade toe te brengen aan de onder het eerste lid, onder a, genoemde gewassen.

  3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid,is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet natuurbescherming.

  4. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing bij het verrichten van het noodzakelijke onderhoud aan watergangen ter uitvoering van een wettelijke verplichting.

Artikel 5:32

Crossterreinen

  1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    1. het voorkomen of beperken van overlast;

    2. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

    3. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

  3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.

Artikel 5:33

Beperking verkeer in natuurgebieden

  1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.

  2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    1. het voorkomen van overlast;

    2. de bescherming van natuur- of milieuwaarden;

    3. de veiligheid van het publiek.

  3. Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden:

    1. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

    2. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    3. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    4. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    5. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d, bedoelde personen.

  4. Het verbod is voorts niet van toepassing:

    1. op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen;

    2. binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel.

  5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 5:34

Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

  1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  2. Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:

    1. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    2. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand;

    3. vuur voor koken, bakken en braden.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

  5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 5:34A

Voorkoming van vreugdevuren

  1. Het is verboden op de weg te vervoeren, op de weg bij zich te dragen of anderszins voorhanden te hebben, kerstbomen, autobanden en andere voorwerpen of stoffen, met het kennelijke doel deze te verbranden.

  2. Het verbod geldt niet als ter plaatse en ten genoegen van een ambtenaar van politie wordt aangetoond, dat het vervoer en/of de opslag van de genoemde voorwerpen of stoffen geschiedt voor andere handelingen dan die, welke in het eerste lid worden genoemd.

Artikel 5:35

Definitie

In deze afdeling wordt onder incidentele asverstrooiing verstaan het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.

Artikel 5:36

Verboden plaatsen

  1. Incidentele asverstrooiing is verboden binnen de bebouwde kom.

  2. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod.

  3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Verordening op het beheer en het gebruik van de gemeentelijke begraafplaatsen voor de gemeente Bodegraven-Reeuwijk 2014.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:37

Hinder of overlast

Incidentele asverstrooiing is verboden als daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening gemeente Bodegraven-Reeuwijk