1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 trekt de burgemeester de verleende exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:28 van deze verordening in, indien:

    1. de exploitant of leidinggevende niet of niet meer voldoet aan de eisen voor de zedelijkheid, zoals opgenomen in de artikelen 3.1 tot en met 3.6 van het Alcoholbesluit (St. 2021, 268);

    2. de exploitant niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt;

    3. de exploitant onder curatele of bewind is gesteld;

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 en het eerste lid van dit artikel kan de burgemeester de verleende exploitatievergunning intrekken, indien:

    1. zich binnen de inrichting gedragingen hebben voorgedaan zoals omschreven in artikel 36 van de Wet op de kansspelen;

    2. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn in de openbare inrichting, waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend;

    3. naar zijn of haar oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon- en leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting door de aanwezigheid van de inrichting ontoelaatbaar nadelig wordt beïnvloed;

    4. in strijd is gehandeld met artikel 2 en/of 3 van de Opiumwet of aannemelijk is dat de exploitant of leidinggevende betrokken is bij of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten in verband met activiteiten als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet;

    5. aannemelijk is dat de exploitant of de leidinggevende betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de openbare inrichting, die gevaar kunnen veroorzaken voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting dan wel als naar het oordeel van de burgemeester de wijze van bedrijfsvoering een dergelijk gevaar of bedreiging vormt;

    6. de exploitant of de leidinggevende toelaat of gedoogt dat in zijn of haar openbare inrichting strafbare en/of beboetbare feiten worden gepleegd;

    7. zich in of vanuit de openbare inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de inrichting gevaar kan veroorzaken voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

    8. er aanwijzingen zijn dat in de openbare inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    9. de vergunninghouder, exploitant of leidinggevende de bij of krachtens deze verordening gestelde regels niet nakomt;

    10. de vergunninghouder, exploitant of leidinggevende de aan de exploitatievergunning verbonden voorschriften of beperkingen niet nakomt;

    11. in het geval en onder voorwaarden bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.