Algemene Plaatselijke Verordening Best 2023 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Paragraaf Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Paragraaf Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Paragraaf Afdeling 3. Evenementen
Paragraaf Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen
Paragraaf Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Paragraaf Afdeling 6. Toezicht op speelgelegenheden
Paragraaf Afdeling 7. Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Paragraaf Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Paragraaf Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen
Paragraaf Afdeling 10. Drugsoverlast
Paragraaf Afdeling 11. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Hoofdstuk Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Hoofdstuk Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu

Artikel 2:1

Samenscholing en ongeregeldheden

  1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

  2. Degene die op een openbare plaats:

    1. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;

    2. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of

    3. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;

    is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie of een gemeentelijke Buitengewoon Opsporingsambtenaar of toezichthouder van de gemeente zijn weg te vervolgen of zich in de door deze aangewezen richting te verwijderen.

  3. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

  4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.

  5. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2:10

Voorwerpen op of aan de weg

  1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik:

    1. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of

    2. ontsierend is voor de omgeving dan wel anderszins schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente;

    3. gevaar oplevert of kan opleveren voor personen of zaken.

  2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 1,5 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3,5 strekkende meter en een hoogte van 4,2 meter boven de kruin van de rijbaan voor gemotoriseerd verkeer en fietsers.

  3. Het college kan in het belang van de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de onder het eerste lid onder a t/m c genoemde belangen nadere regels stellen ten aanzien van het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

  5. In afwijking van het vierde lid kan het college een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

  6. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op:

    1. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

    2. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;

    3. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.

  7. Het verbod in het eerste lid is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken , artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of het Provinciaal wegenreglement.

  8. Op de aanvraag om een ontheffing bedoeld in het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:11

(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  2. De vergunning wordt verleend:

    1. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; of

    2. door het college in de overige gevallen.

  3. Het verbod is niet van toepassing in de volgende gevallen:

    1. als in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam taken worden verricht;

    2. bij het openbreken van de verharding en het graven en spitten in de weg ten behoeve van voorwerpen voor het opladen van elektrische voertuigen zoals laadpalen voor elektrische voortuigen, mits voldaan wordt aan de door de gemeente gestelde voorwaarden voor het plaatsen van laadpalen;

    3. in overige gevallen als minimaal drie weken voor aanvang van de werkzaamheden een kennisgeving is gedaan aan de gemeente en de werkzaamheden niet tot ontoelaatbare hinder van het wegverkeer leiden.

  4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur, de Verordening wegen Noord-Brabant 2010, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Verordening Ondergrondse Infrastructuur Best.

  5. Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:12

Maken of veranderen van een uitweg

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:

    1. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

    2. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats, tenzij deze verplaatst kan worden;

    3. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;

    4. als het uiterlijk aanzien van de omgeving wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;

    5. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen; of

    6. als hiervoor openbare voorzieningen aangepast moeten worden, zoals bestrating, verkeersborden, verlichting of brandwaterbluspunten.

  3. De aanleg en/of verplaatsing van een inrit binnen de bebouwde kom geschiedt door en/of onder regie van de gemeente Best.

  4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de Verordening wegen Noord-Brabant 2010.

Artikel Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen

  1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:

    1. te roken gedurende een door het college aangewezen periode;

    2. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht.

  3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Artikel 2:24

Definities

  1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    1. bioscoop- en theatervoorstellingen;

    2. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

    3. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    4. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

    5. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    6. activiteiten die volgens de melding op grond van het Activiteitenbesluit, vergunning op grond van de Wet Milieubeheer of volgens de statuten tot de reguliere bedrijfsvoering behoren;

    7. reguliere sportactiviteiten en sportwedstrijden in of op daarvoor bestemde accommodaties, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f;

    8. activiteiten als bedoeld in artikel 2:39.

  2. Onder evenement wordt mede verstaan:

    1. een herdenkingsplechtigheid;

    2. een braderie of snuffelmarkt;

    3. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;

    4. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

    5. een straatfeest of buurtbarbecue;

    6. een full-contact vechtsportgala, -wedstrijd en -toernooi.

  3. In deze afdeling worden de volgende evenementen onderscheiden:

    1. Vergunningsvrij evenement: evenement met een laag risicoprofiel, waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd.

    2. A-evenement: laag risico-evenement, waarbij sprake is van een beperkte impact op de omgeving en het verkeer. Er is geen of nauwelijks inzet van hulpdiensten bij de voorbereiding of uitvoering nodig.

    3. B-evenement: gemiddeld risico-evenement, waarbij sprake is van een gemiddelde impact voor de omgeving en het verkeer. De inzet van hulpdiensten bij de voorbereiding en/of uitvoering is nodig.

    4. C-evenement: hoog risico-evenement, waarbij de gevolgen voor de omgeving en verkeer groot zijn. Er is uitgebreide inzet van hulpdiensten bij de voorbereiding en uitvoering nodig.

  4. Onder organisator wordt in de afdeling verstaan een natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico het evenement is.

Artikel 2:25

Evenementenvergunning

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren, toe te laten of feitelijk te leiden.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de burgemeester een vergunning voor een full-contact vechtsportgala, -wedstrijd en -toernooi weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  3. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.

  4. De burgemeester kan besluiten, eventueel onder door hem te stellen voorschriften, dat geen vergunning als bedoeld in artikel 2:25 is vereist voor een door hem aangewezen evenement of categorie van evenementen, indien hij van oordeel is dat er sprake is van een laag risicoprofiel.

  5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:25a

Vergunningsvrij evenement

  1. Geen vergunning is vereist voor een evenement, indien:

    1. het een evenement betreft met maximaal 250 gelijktijdig aanwezige personen of een buurtbarbecue of -straatfeest;

    2. het evenement niet langer duurt dan vier – al dan niet aaneengesloten – dagen;

    3. de eindtijd van het evenement 00.30 uur is of 23.00 uur als de dag volgend op het evenement een werkdag is;

    4. er geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na 23.00 uur, en het geluidsniveau op de gevels van omringende woningen of andere geluidgevoelige gebouwen of terreinen tussen 07.00 en 23.00 uur niet meer bedraagt dan 75dB(A) en 85 dB(C);

    5. het evenement gehouden wordt op een van de evenementenlocaties Dorpsplein eo, Koetshuistuin, Spinnerstraat, Tunneldek of Wilhelminaplein en op die locaties het geluidsniveau van muziek op de gevels van omringende woningenof andere geluidgevoelige gebouwen of terreinen tussen 07.00 en 23.00 uur niet meer bedraagt dan 60dB(A) en 70 dB(C);

    6. slechts kleine objecten worden geplaatst waarin niet meer dan 150 personen in of op kunnen;

    7. er geen weg of weggedeelte buiten de bebouwde kom wordt afgesloten dan wel een weg of weggedeelte binnen de bebouwde kom welke is opgenomen in de door het college vast te stellen wegenlijst;

    8. er tijdens het evenement voor hulpdiensten een vrije doorgang van minimaal 3,5 meter breed en 4,5 meter hoog beschikbaar blijft;

    9. er geen vergunning is afgegeven voor een ander evenement of activiteit op dezelfde locatie;

    10. er geen sprake is van een gemotoriseerde evenement of een full-contact vechtsportgala, -wedstrijd of -toernooien (hiervoor is altijd een vergunning vereist).

  2. Van het vergunningsvrij evenement wordt minimaal 2 weken van te voren een kennisgeving gedaan aan de burgemeester onder vermelding van het telefoonnummer en emailadres van de meerderjarige organisator die gedurende het gehele evenement aanwezig en bereikbaar is op dit telefoonnummer.

  3. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een (mondelinge) kennisgeving in behandeling nemen buiten de in het tweede lid genoemde termijn.;

  4. Het is verboden een evenement als bedoeld in het eerste en tweede lid doorgang te laten vinden, indien de verwachting bestaat dat de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu tijdens het evenement in gevaar komt. De burgemeester kan in dat geval het evenement verbieden.

  5. Het college kan met het oog op de belangen als vermeld in het vierde lid nadere regels stellen voor vergunningsvrije evenementen.

  6. [vervallen]

Artikel 2:25b

Indiening aanvraag

  1. De aanvraag wordt gesteld op een door de burgemeester vastgesteld formulier.

  2. In afwijking van artikel 1:7 wordt de aanvraag ingediend:

    1. uiterlijk twaalf weken voor de beoogde datum van een A-evenement;

    2. uiterlijk zesentwintig weken voor de beoogde datum van een B- of C-evenement.

  3. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding moet worden gedaan op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.

  4. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een aanvraag in behandeling nemen buiten de in het tweede lid genoemde termijnen.

Artikel 2:25c

Beslistermijn

In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, beslist de burgemeester op een aanvraag om een evenementenvergunning voor een A-evenement binnen twaalf weken en voor een B- of C-evenement binnen zesentwintig weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.

Artikel 2:26

Ordeverstoring

Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

Artikel 2:27

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • feestdagen: Nieuwjaarsdag, Goede Vrijdag, Pasen (eerste en tweede paasdag), Koningsdag, Bevrijdingsdag, Hemelvaartsdag, Pinksteren (eerste en tweede pinksterdag), Kerstmis (eerste en tweede kerstdag);

  • leidinggevende: hetgeen daaronder in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet wordt verstaan.

  • openbare inrichting: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, jongerencentrum, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt.

Een buiten de besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.

Artikel 2:28

Exploitatie openbare inrichting

  1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:

    1. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

    2. zorginstelling;

    3. museum; of

    4. bedrijfskantine of -restaurant.

  3. De burgemeester kan besluiten dat het verbod in het eerste lid niet geldt voor één of meer in dat besluit genoemde categorieën van inrichtingen in de gemeente dan wel in specifiek aangewezen delen van de gemeente.

Artikel 2.28a

Eisen leidinggevenden

Leidinggevenden:

  1. hebben de leeftijd van 18 jaar bereikt;

  2. voldoen aan de eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag zoals bedoeld in het Alcoholbesluit;

  3. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;

  4. staan niet onder curatele en zijn evenmin uit de ouderlijke macht of de voogdij ontzet.

Artikel 2.28b

Aanvraagformulier

De aanvraag wordt gesteld op een door de burgemeester vastgesteld formulier.

Artikel 2.28c

Beslistermijn

  1. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, beslist de burgemeester binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.

  2. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.28d

Weigeringsgronden

  1. De burgemeester weigert de vergunning, als:

    1. de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan dan wel het in procedure zijnde omgevingsplan;

    2. niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2:28a;

    3. een leidinggevende binnen drie jaar voor de aanvraag een openbare inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde of op grond van artikel 13b Opiumwet, gesloten is geweest.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, als:

    1. voor de exploitatie van de openbare inrichting tevens een vergunning op grond van de Alcoholwet vereist is en deze vergunning niet is of kan worden verleend; of

    2. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of

    3. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet in overeenstemming is met de ingediende aanvraag of het ingevulde Bibob-vragenformulier.

Artikel 2.28e

Aanwezigheid leidinggevende

Het is verboden een openbare inrichting voor het publiek geopend te houden als in de openbare inrichting geen leidinggevende aanwezig is die in de vergunning is vermeld.

Artikel 2.28f

Intrekken vergunning

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 trekt de burgemeester de vergunning in als niet langer wordt voldaan aan de eisen in artikel 2:28a.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning intrekken als:

    1. een leidinggevende van de openbare inrichting toestaat of gedoogt dat in de openbare inrichting strafbare feiten worden gepleegd;

    2. sprake is van een gewijzigde exploitatie waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd;

    3. een leidinggevende in strijd handelt met het bij of krachtens artikel 2:29 bepaalde;

    4. zich in de openbare inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting.

Artikel 2.28g

Vervallen vergunning

Een vergunning vervalt, wanneer:

  1. sinds de verlening onherroepelijk is geworden, zes maanden zijn verlopen, zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

  2. gedurende 6 maanden anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

  3. de verlening van een vergunning, strekkende tot vervangen van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.

Artikel 2:29

Sluitingstijd

  1. Openbare inrichtingen zijn gesloten:

    1. op maandagnacht tot en met woensdagnacht tussen 01.00 uur en 06.00 uur;

    2. op donderdagnacht en zondagnacht tussen 02.00 uur en 06.00 uur;

    3. op vrijdagnacht, zaterdagnacht en op feestdagen tussen 03.00 uur en 06.00 uur.

  2. In afwijking van het eerste lid is een buurthuis of clubhuis, een welzijnsaccommodatie, een gebouw met een maatschappelijke bestemming of een (andere) paracommerciële inrichting gesloten:

    1. op maandagnacht tot en met donderdagnacht tussen 24.00 uur en 06.00 uur;

    2. op vrijdagnacht, zaterdagnacht en op feestdagen tussen 02.00 uur en 06.00 uur;

    3. op zondagnacht tussen 01.00 uur en 06.00 uur.

  3. In afwijking van het eerste lid is een kantine van een paracommerciële sportinrichting gesloten op maandag tot en met zondag tussen 24.00 uur en 06.00 uur.

  4. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd met uitzondering van ruimten waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt.

  5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.

  6. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid, aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.

  7. Het eerste en het vijfde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien.

  8. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:30

Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2:31

Verboden gedragingen

Het is verboden in een openbare inrichting:

  1. de orde te verstoren;

  2. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid.

Artikel 2:33

Het college als bevoegd bestuursorgaan

Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 2:34a

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder alcoholhoudende drank en slijtlokaliteit hetgeen daaronder in de Alcoholwet wordt verstaan.

Artikel 2:34b

Schenktijden paracommerciële rechtspersonen

  1. Een paracommercieel rechtspersoon die zich richt op het organiseren van activiteiten van sportieve aard in het kader van teamsport kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op:

    1. maandag tot en met vrijdag vanaf 15.00 uur tot 24.00 uur;

    2. zaterdag vanaf 14.00 uur tot 22.00 uur;

    3. zondag vanaf 11.00 uur tot 20.00 uur.

  2. Een paracommercieel rechtspersoon die zich richt op het organiseren van activiteiten van sportieve aard in het kader van een individuele sport kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op:

    1. maandag tot en met vrijdag vanaf 15.00 uur tot 24.00 uur;

    2. zaterdag vanaf 12.00 uur tot 24.00 uur;

    3. zondag vanaf 12.00 uur tot 24.00 uur.

  3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid gelden voor de petanqueclub de volgende schenktijden:

    1. maandag tot en met vrijdag vanaf 14.00 uur tot 24.00 uur;

    2. zaterdag vanaf 12.00 uur tot 24.00 uur;

    3. zondag vanaf 11.00 uur tot 24.00 uur.

  4. Overige paracommerciële rechtspersonen kunnen alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf één uur voor de aanvang en tot uiterlijk één uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon, uitsluitend:

    1. maandag tot en met donderdag tussen 14.00 uur en 24.00 uur;

    2. vrijdag, zaterdag en op feestdagen tussen 12.00 uur 02.00 uur;

    3. zondag tussen 12.00 uur en 01.00 uur;

  5. Een paracommercieel rechtspersoon als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid kan in afwijking van de tijden zoals vermeld in dat lid, tijdens ten hoogste twaalf dagen per jaar (maximaal twee aaneengesloten dagen) bij activiteiten of bijeenkomsten voor leden of personen die rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn, alcoholhoudende drank verstrekken onverminderd het bepaalde in artikel 2:29 (sluitingstijd).

  6. Een paracommercieel rechtspersoon doet uiterlijk drie weken voor een activiteit of bijeenkomst als bedoeld in het vijfde lid hiervan melding aan de burgemeester.

Artikel 2:34c

bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen

Met uitzondering van het gestelde in artikel 2:34b vijfde lid verstrekken paracommerciële rechtspersonen geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

Artikel 2:35

Proeverijen in slijtlokaliteiten

Proeverijen in slijtlokaliteiten als bedoeld in artikel 25e van de Alcoholwet zijn toegestaan.

Artikel 2:38a

Definities

  1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

  2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.

Artikel 2:39

Speelgelegenheden

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:

    1. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of

    2. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

  4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:40

Kansspelautomaten

  1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.

  2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Artikel 2:40a

Verbod exploiteren bedrijf zonder benodigde vergunning

  1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    1. Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

    2. Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten;

    3. Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

  2. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit of door de exploitant en/of beheerder onder druk staat. Het aanwijzingsbesluit bepaalt de duur van de periode dat de aanwijzing geldt. Deze duur bedraagt maximaal vijf jaar en kan – indien dat met het oog op de bovengenoemde belangen naar het oordeel van de burgemeester nodig is – eenmalig worden verlengd met nogmaals een termijn van maximaal vijf jaar.

  3. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:

    1. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied; of

    2. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten; of

    3. in door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteiten.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:

    1. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

    2. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    3. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    4. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn;

    5. indien niet voldaan is aan de bij of krachtens de in dit artikel gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;

    6. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    7. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldende Leefmilieuverordening/beheersverordening of een geldende omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; en/of

    8. indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.

  5. Naast en in aanvulling op artikel 1:4, eerste lid 1 kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden aan een exploitatievergunning die wordt verleend krachtens het derde lid van deze bepaling, die strekken ter bescherming van de belangen, zoals opgenomen in het vierde lid van deze bepaling.

  6. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    1. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder;

    2. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

    3. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    4. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;

    5. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;

    6. een verklaring omtrent gedrag (VOG);

    7. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd;

    8. naast de bovengenoemde gegevens kunnen gegevens en bescheiden worden verlangd van de aanvrager die verband houden met registraties van het specifieke gebouw of de specifieke bedrijfsmatige activiteit, waarop de aangevraagd exploitatievergunning betrekking heeft;

    9. indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan deze verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

  7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen:

    1. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

    2. indien het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    3. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    4. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is;

    5. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    6. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldende Leefmilieuverordening/beheersverordening of een geldende omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

    7. indien de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

    8. indien er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;

    9. indien door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;

    10. indien de voorschriften uit de vergunning niet worden nageleefd; en/of

    11. indien de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd.

  8. Een vergunning kan ingevolge artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur voorts door de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken, indien er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de voornoemde wet. Voordat daaraan toepassing wordt gegeven, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van voornoemde wet, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

  9. De burgemeester kan besluiten tot de sluiting van een gebouw of gedeelte van een gebouw indien het daarin gevestigde bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met k, van toepassing is.

  10. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het negende lid van deze bepaling gesloten bedrijf of gebouw te betreden of daarin te verblijven.

  11. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien uit later bekend geworden feiten en omstandigheden moet worden afgeleid dat de bescherming van de belangen in verband waarmee deze regeling van kracht is, geen langere sluiting vergen.

  12. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen één maand, aan de burgemeester te melden en een wijziging van zijn vergunning aan te vragen. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. Indien niet binnen een maand na de verandering van omstandigheden een aanvraag wordt ingediend, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een bestaande vergunning vervalt, zodra de vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, in werking treedt.

  13. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is.

  14. Het aanwijzingsbesluit geldt voor het aangewezen gebouw, het aangewezen gebied en de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten direct na de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Voor bedrijven die vóór de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit in het aangewezen gebouw of gebied gevestigd waren en/of zich bezig hielden met de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten, dient in het aanwijzingsbesluit een redelijke overgangstermijn geboden te worden, na het verstrijken waarvan het verbod uit het derde lid van toepassing wordt. De overgangstermijn bedraagt minimaal 6 maanden en maximaal 1 jaar.

  15. Op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:41

Betreden gesloten woning of lokaal

  1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:42

Plakken en kladden

  1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

    1. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    2. met kalk, teer of een kleur- of verfstof of op andere wijze een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  4. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

  5. Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  6. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  7. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.

Artikel 2:43

Vervoer plakgereedschap en dergelijke

  1. Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.

Artikel 2:44

Vervoer inbrekerswerktuigen

  1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2:48

Verboden drankgebruik

  1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing op:

    1. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet gedurende de toegestane openingstijden van de openbare inrichting; en

    2. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet.

Artikel 2:48a

Verboden lachgasgebruik

  1. Het is verboden op een openbare plaats lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken.

  2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben.

  3. Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden.

Artikel 2:49

Veiligheid op het water

  1. Het is aan eenieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

  2. Het is eenieder verboden om vanaf bruggen, viaducten of spoorbruggen in openbaar water te springen.

  3. Het in het eerste lid bepaalde geldt biet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartreglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Bijzonder Reglement voor het Beatrixkanaal.

Artikel 2:53

Vechten in het openbaar

  1. Het is verboden in het openbaar te vechten of iemand lastig te vallen.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424 of 426 bis van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:54

Liggen of slapen op of aan de openbare weg

  1. Het is verboden – al dan niet met gebruikmaking van enige vorm van beschutting – waaronder in ieder geval is begrepen het gebruik maken van een auto op een openbare plaats;

    1. tussen zonsondergang en zonsopgang te liggen of te slapen;

    2. tussen zonsopgang en zonsondergang te liggen of te slapen, nadat door een ambtenaar van politie in het belang van de openbare orde of veiligheid is aangezegd, dat dit moet worden beëindigd.

  2. Verder is uitgezonderd indien dit liggen of slapen past binnen de activiteiten van een evenement waarvoor een vergunning is verleend.

  3. Het in het bovenstaande verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:55

Verbod carbidschieten

  1. In deze bepaling wordt verstaan onder carbidschieten: het tot ontbranding brengen van acetyleengas, afkomstig van een reactie tussen calciumcarbid (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen, waarbij gebruik wordt gemaakt van melkbussen, tonnen, containers en/of dergelijke voorwerpen.

  2. Carbidschieten in de open lucht is verboden.

  3. Het is verboden op een openbare plaats carbid of soortgelijke stoffen als bedoeld in het eerste lid te vervoeren of bij zich te hebben, waarvan gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze zullen worden gebruikt in strijd met het tweede lid.

  4. Het verbod in het derde lid is niet van toepassing op degenen aan wie carbid is afgeleverd gedurende de tijd die nodig is om thuis te komen, noch op degene die aannemelijk maakt dat hij het carbid nodig heeft in de uitoefening van beroep of bedrijf.

  5. Het in het tweede en derde lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het Wetboek van Strafrecht.

Artikel Artikel 2:57 Loslopende honden

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    1. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

    2. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;

    3. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd;

    4. op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  3. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2:58

Verontreiniging door honden

  1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats binnen de bebouwde kom of op een gedeelte van de weg dat is bestemd of mede is bestemd voor het verkeer van voetgangers of fietsers begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.

  2. Ter uitvoering van het in het eerste lid gestelde dient de eigenaar of houder van de hond een zakje of ander geschikt ruimmiddel dat bestemd is voor het verwijderen van uitwerpselen bij zich te dragen.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

  4. Het eerste lid is niet van toepassing op gemeentelijke hondentoiletten en andere door het college aangewezen plaatsen.

Artikel 2:59

Gevaarlijke honden

  1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

  3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    1. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    2. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

    3. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

  4. Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Artikel 2:60

Vernietiging van rupsen en rupsennesten met brandharen

  1. Het college kan, hetzij bij openbare kennisgeving ten aanzien van het gehele gebied van de gemeente of van bepaalde delen daarvan, hetzij bij persoonlijke kennisgeving aan de rechthebbende van een of meer bepaalde percelen mededelen, dat zij het voor de volksgezondheid noodzakelijk acht, dat aldaar in bomen of ander houtgewas voorkomende rupsen en rupsennesten met brandharen verwijderd en vernietigd worden voor een bij die kennisgeving bepaalde datum.

  2. De rechthebbende op percelen binnen het bij die openbare kennisgeving aangewezen gebied of van de in de persoonlijke kennisgeving aangeduide percelen is verplicht voor de door het college bepaalde datum te zorgen, dat de in bomen of ander houtgewas op deze percelen voorkomende rupsen en rupsennesten met brandharen verwijderd en vernietigd zijn.

Artikel 2:66

Definitie

In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:67

Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:

    1. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    2. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    3. een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;

    4. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en

    5. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

  2. De burgemeester kan nadere eisen stellen aan dit register.

  3. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.

  4. Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:68

Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor de handelaar handelend persoon is verplicht:

  1. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

    1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

    2. van een verandering van de onder 1o bedoelde adressen;

    3. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

    4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan.

  2. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

  3. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  4. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:74

Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op een openbare plaats aanwezig te zijn met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2:74a

Openlijk drugsgebruik

Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Artikel 2:75

Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door de burgemeester aangewezen groepen van personen op een door de burgemeester aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de volgende artikelen van deze verordening groepsgewijs niet naleven:

Artikel 2:76

Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:77

Cameratoezicht op openbare plaatsen

  1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

  2. De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van andere voor het publiek toegankelijke plaatsen.

Artikel 2:78

Gebiedsontzeggingen

  1. De burgemeester kan aan een persoon die de artikelen als vermeld in artikel 2.78a 2:1, 2:26, 2:31, 2:42, 2:47, 2:48, 2:53, 2:54, 2:74, 2:74a, 3:9, 5:15 of 5:34 van deze verordening, de artikelen 137d, 137e, 139, 141, 180, 184, 300, 302, 306, 350, 424 of 426 van het Wetboek van Strafrecht, de Wet wapens en munitie of de Opiumwet overtreedt of in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht bij besluit een tijdelijke verbod opleggen om gedurende ten hoogste twee weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  2. Bij overtredingen als bedoeld in het eerste lid of met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel een tijdelijk verbod als bedoeld in dat lid en die binnen zes maanden na een eerder tijdelijk verbod is gegeven en die opnieuw één of meer van bovengenoemde overtredingen begaat of strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, bij besluit een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  3. De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven verboden, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkenen noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van dit verbod.

  4. Als de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.

Artikel 2:79

Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

  1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:

    1. geluid- of geurhinder;

    2. hinder van dieren;

    3. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

    4. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

    5. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

Artikel 2:80

Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 2:30] eerste lid, of artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

  3. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf.

  4. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  5. Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder toestemming van de burgemeester.

  6. De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Best 2023