1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  2. De vergunning wordt verleend:

    1. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; of

    2. door het college in de overige gevallen.

  3. Het verbod is niet van toepassing in de volgende gevallen:

    1. als in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam taken worden verricht;

    2. bij het openbreken van de verharding en het graven en spitten in de weg ten behoeve van voorwerpen voor het opladen van elektrische voertuigen zoals laadpalen voor elektrische voortuigen, mits voldaan wordt aan de door de gemeente gestelde voorwaarden voor het plaatsen van laadpalen;

    3. in overige gevallen als minimaal drie weken voor aanvang van de werkzaamheden een kennisgeving is gedaan aan de gemeente en de werkzaamheden niet tot ontoelaatbare hinder van het wegverkeer leiden.

  4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur, de Verordening wegen Noord-Brabant 2010, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Verordening Ondergrondse Infrastructuur Best.

  5. Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.