1. De burgemeester kan aan een persoon die de artikelen als vermeld in artikel 2.78a 2:1, 2:26, 2:31, 2:42, 2:47, 2:48, 2:53, 2:54, 2:74, 2:74a, 3:9, 5:15 of 5:34 van deze verordening, de artikelen 137d, 137e, 139, 141, 180, 184, 300, 302, 306, 350, 424 of 426 van het Wetboek van Strafrecht, de Wet wapens en munitie of de Opiumwet overtreedt of in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht bij besluit een tijdelijke verbod opleggen om gedurende ten hoogste twee weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  2. Bij overtredingen als bedoeld in het eerste lid of met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel een tijdelijk verbod als bedoeld in dat lid en die binnen zes maanden na een eerder tijdelijk verbod is gegeven en die opnieuw één of meer van bovengenoemde overtredingen begaat of strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, bij besluit een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  3. De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven verboden, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkenen noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van dit verbod.

  4. Als de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.